August Bebel
De vrouw en het socialisme
Hoofdstuk 2 - vervolg


De vrouw als arbeidster - Haar geestelijke vermogens. Het darwinisme en de sociale toestand van de maatschappij

Het streven van de vrouwen naar een zelfstandig beroep, en persoonlijke onafhankelijkheid is tot op zekere hoogte door de burgermaatschappij als ‘gerechtvaardigd’ erkend, even als het streven van de arbeiders naar een vrijere beweging. De reden voor deze erkenning was: het eigenbelang van de bourgeoisie. De bourgeoisie had er behoefte aan de arbeidskracht van vrouwen zowel als van mannen te werk te stellen, om de voortbrenging op grote schaal tot een toppunt te kunnen voeren. En naarmate het machinewezen zich ontwikkelt, het voortbrengingsproces zich in meer afzonderlijke bewerkingen scheidt en minder technische bekwaamheid vordert, aan de andere zijde de concurrentie van land tegen land, werelddeel tegen werelddeel feller wordt, naar die mate zal inzonderheid het aantal vrouwen in de industrie toenemen.

De oorzaak van het steeds meer gebruikmaken van vrouwelijke arbeidskracht in een steeds toenemend aantal industrietakken, moet gezocht worden in de maatschappelijke stand en het karakter van de vrouwen. De vrouw, ten allen tijde door de mannenwereld als een onwaardig wezen beschouwd, heeft in nog hogere mate dan de proletariër een karakter van zedigheid, voegzaamheid en onderdanigheid aangenomen. Zij mag alzo van te voren er al op rekenen, daar slechts naast de man of in zijn plaats werk te vinden, waar haar materiële eisen geringer zijn dan die van de man. Een andere omstandigheid, die voortspruit uit haar natuur als geslachtswezen, en die haar dwingt zich voor lagere prijs aan te bieden, is deze dat zij gemiddeld meer aan lichamelijke storingen onderhevig is dan de man, ongesteldheden die een tijd lang haar verhinderen te arbeiden, wat bij de tegenwoordige combinatie en organisatie van arbeidskrachten licht onaangename gevolgen met zich brengt. Zwangerschap en kraambed verlengen zulke onderbrekingen. De werkgever maakt gebruik van deze omstandigheid en verlangt voor de storingen, die hem dreigen, een dubbele vergoeding in een belangrijke verlaging van het loon.

Daarentegen heeft vrouwenarbeid, namelijk die van gehuwde vrouwen - zoals wij uit voetnoot 41 bemerken, voor werkgevers ook weer iets aanlokkelijks. De vrouw is lijdzaam, geduldiger, laat zich meer exploiteren dan de man en verdraagt eerder slechte behandeling. Als zij gehuwd is dan is zij (zoals in de genoemde voetnoot), veel opmerkzamer en leerzamer dan de niet gehuwde en tot de uiterste inspanning van haar krachten gedwongen om de noodzakelijke levensmiddelen te verkrijgen. Dat de arbeidster slechts bij uitzondering zich met haar arbeidsgenoten verbindt ten einde betere voorwaarden te bedingen, verhoogt in de ogen van de werkgevers haar waarde als ‘uitzuigingsvoorwerp’. Zelfs is zij in zijn handen een goede troef tegen storingen in de arbeid der mannen. Verder lijdt het geen twijfel dat groter geduld, meer vingervaardigheid, een hoger ontwikkelde smaak, ze voor een menigte, met name fijnere handwerken, oneindig meer geschikt maakt dan de man.

Al deze vrouwelijke deugden weet de deugdzame kapitalist ten volle te gebruiken en zo vindt de vrouw met de ontwikkeling van onze industrie van jaar tot jaar een uitgebreider arbeidsveld, maar - en dit is het voornaamste - zonder haar positie in de maatschappij merkbaar te verbeteren. Waar vrouwelijke arbeidskracht aangewend wordt maakt zij in de regel mannelijke arbeidskracht werkloos. Deze arbeidskracht aldus verdrongen, wil leven en biedt zich dus voor een minimumloon aan. Dit drukt nu wederkerig op het loon van de vrouwen. Het voortdurend neerdrukken van het loon werkt bijna als een schroef zonder einde, welke de steeds afwisselende techniek van het arbeidsproces in voortdurende beweging brengt, daar deze afwisseling ook vrouwelijke arbeidskracht vrijmaakt en dus het aanbod van ‘handen’ vermeerdert.

Nieuw ontluikende werkzaamheden en takken van industrie werken dit voortdurend ontstaan van nieuwe arbeidskrachten enigermate tegen, maar niet sterk genoeg om tot betere arbeidsvoorwaarden te leiden. Want het stijgen van het loon boven een zekere maat noopt steeds de ondernemer naar grotere verbetering van machinerie te trachten, en de willoze automatische machine nog meer in de plaats van menselijke hersens en menselijke ‘handen’ te stellen.

Stond bij het ontstaan van de kapitalistische productie de mannelijke arbeider slechts tegenover een mannelijke arbeider op de arbeidsmarkt, zo heeft er nu een wisseling plaats van mannelijke met vrouwelijke arbeidskracht en komt men verder tot de wisseling van de ene ouderdom tegen de andere. De vrouw verdringt de man en zij wordt op haar beurt door de kinderarbeid verdrongen. Dat is de ‘zedelijke regeling’ in de moderne industrie.

Het streven van de ondernemers om namelijk de arbeidsdag te verlengen ten einde een grotere meerwaarde uit zijn arbeiders te pompen, werd door de geringe weerstandskracht van de vrouwelijke arbeiders zeer gemakkelijk gemaakt. Vandaar het geval dat bv. in de textielindustrie in Duitsland, waar de vrouwen vaak meer dan de helft van het gezamenlijke aantal arbeiders uitmaken, de arbeidstijd het langst is.

Van huis uit reeds door de huiselijke werkzaamheid er aan gewend dat de arbeidstijd aan geen maat onderhevig is, laten zich de vrouwen lasten opleggen, zonder weerstand te bieden.

In andere nijverheidstakken: vervaardiging van sieraden, bloemenfabricatie, enz. waarin de handenarbeid het grootste aandeel heeft, bederven zij het loon en de arbeidstijd door extrawerk mee naar huis te nemen, daar tot middernacht en langer te zitten en niet te berekenen dat zij, als de maand om is, bij een arbeid van 16 uren daags evenveel blijken verdiend te hebben als zij moesten verdienen door 10 a 12 uren daags te arbeiden.

Welk een reusachtige aanwending de vrouwenarbeid reeds in de industrie bereikt heeft, is reeds meermalen door cijfers aangeduid geworden. In het jaar 1861 bedroeg het aantal der in de industrie gebezigde vrouwen - waarbij een rij kleinere nijverheidstakken buiten beschouwing zijn gelaten - in Engeland en Wales alleen 1.024.277 en heden is dit zeker tot het dubbele aangegroeid. In Londen waren er, naar de laatste volkstelling, behalve 226.000 vrouwelijke dienstboden, 16.000 onderwijzeressen en gouvernantes, 5.100 boekbindsters; 4.500 bloemenmaaksters, 58.500 modemaaksters, 14.800 kledenmaaksters, 26.800. linnennaaisters, 4.800 schoenmaaksters, 10.800 naaimachinestiksters en 44.000 wasvrouwen.

Tot de meest industrieel ontwikkelde landen van Duitsland behoort het koninkrijk Saksen. In de periode van 1883 tot 1889 ontwikkelde zich de wasdom en de verhouding van de volwassen mannelijke en vrouwelijke, boven de 16 jaar oud zijnde arbeiders, in de aan arbeidsinspectie onderworpen vakken als volgt:

Verhouding vrouwelijke - mannelijke arbeid(st)ers

Hier blijft de vermeerdering van het aantal vrouwelijke arbeiders wel achter bij de mannen, maar daarvoor hebben zij ook in bepaalde industrieën, bv. in de textielindustrie [81], het aantal mannelijke arbeiders overvleugeld. In Elzas-Lotharingen bedroeg in het jaar 1889 in 794 aan de inspectie onderworpen vakken (stielen) het aantal mannelijke arbeiders 64.612 en dat der vrouwelijke 36.356; daarvan waren in de textielindustrie 29.496 mannelijke en 31.216 vrouwelijke personen. Er waren van de volwassen arbeidsters slechts 27,7% gehuwd.

In de sigarenindustrie in Baden vonden, volgens een statistiek van de arbeidsinspecteur daar, in het jaar 1889: 9.866 volwassen vrouwelijke arbeiders en 4.656 volwassen mannelijke werkzaamheid; de eerste bedroegen 52,65% van alle in het vak werkende personen, de laatsten 24,85%. Onder de arbeidsters waren er 3.683 of 37,4% gehuwd, maar in enkele streken was het percent gehuwde arbeidsters veel hoger; het bedroeg bv. in de gemeente Herboldsheim 55,4%. In het inspectiedepartement Reuss waren van de arbeidende vrouwen [82]:

Tabel gehuwden arbeidersklasse

In het jaar 1888 waren er in Duitsland onder 7.340.789 in een beroep werkzame personen 1.509.667 vrouwen, d.i. 20,6%. Bij de telling van deze personen nam men het interessante feit waar, dat er geen enkel beroep of tak van industrie bestaat waarin ook niet de vrouwen vertegenwoordigd zijn, zij het ook in nog zo een klein getal.

Zo waren onder andere werkzaam bij:

Procent vrouwen in de industrie

Maar de vrouw is, doordat zij in de industrie werkzaam is, ook tot de voor haar organisme bijzonder inspannende nachtarbeid verplicht. Naar officiële mededelingen die in 1888 in de commissie voor de arbeidsbescherming in de Duitse Rijksdag meegedeeld werden, komt de nachtarbeid van vrouwen nu eens regelmatig, dan weer tijdelijk in de volgende industrieën voor: in glasblazerijen, spiegelfabrieken, briketfabrieken, cementfabrieken, ijzermijnen, zinkmijnen, porseleinenkoppenfabrieken, papierfabrieken, houtzagerijen, spinnerijen en weverijen, laken- en flanelfabrieken, wolwasserijen, nettenfabricatie, chemische fabrieken, suikerraffineerderijen, stijfselfabrieken, boekdrukkerijen (voor dagbladen), beetwortelsuikerfabricatie, cichoreifabrieken, buskruitfabricatie, pannebakkerijen, aardewerkfabrieken, speelgoedfabricatie, loodfabricatie, houtfabricatie, tapijtweverijen, kousenfabrieken, paraplufabrieken, enkele takken van de industrie van kledingstukken, ververijen, het uitstomen van bedveeren, fabrieken van chocolade en suikerwerken, fabrieken van geconserveerde- en vleeswaren. Gedeeltelijke nachtarbeid komt in het merendeel der industrietakken voor, het meest in de textiel en papierindustrie.

Men ziet dus, met de schone theorieën van onze filisters, waarmee zij elk emancipatorisch streven van de vrouwen geloven te kunnen bestrijden, namelijk de theorie: de vrouw behoort in het huisgezin, begint het er tegenover de aangevoerde feiten al zeer zonderling uit te zien.

In de meest ontwikkelde industriestaat, in Engeland, waarin ook de nijverheidsstatistiek iets meer betekent dan in Duitsland, vertoont zich de ontwikkeling van de vrouwenarbeid nog duidelijker. Daar waren in de boomwolindustrie:

Ontwikkeling van de vrouwenarbeid

Het aantal mannen werd dus in deze tijdruimte verminderd met 12.889, de vrouwen daarentegen in dezelfde tijd vermeerderd met 46.208. Een zelfde beeld vertonen ons andere industrieën. In de fabricatie van wollen goederen waren in 1879 tegen 100 mannen 79 vrouwen werkzaam, en in 1881 reeds 102 vrouwen. Verder kwamen op 100 mannen.

Wij konden deze reeks nog aanzienlijk vermeerderen, maar de aangehaalde cijfers zijn reeds voldoende. In het geheel waren in 1881 in Engeland ruim 4 1/2 miljoen vrouwen in de beroepsnijverheid werkzaam. Menige tak van industrie beheersen zij bijna volkomen. Zo kwamen bv. op 100 mannen in de fabricatie van stalen pennen 1.138, in die van couverten 1.105, in de mattenvlechterij 800, in de handschoenen en knoopjesfabricatie 600, bij het polijsten van metalen 500 vrouwen, enz. In welke mate in Zwitserland de industriële vrouwenarbeid reeds in 1886 ontwikkeld was, tonen ons de volgende opgaven van de ‘Bund’. Daar waren werkzaam:

Vrouwenarbeid in Zwitserland

In het geheel waren in de textielindustrie 103.452 vrouwen naast 52.838 mannen werkzaam en constateert de ‘Bund’ uitdrukkelijk dat er nauwelijks een beroep in Zwitserland is, waarin ook niet vrouwen arbeiden. In het rapport van Zwitserse fabriekinspecteurs voor 1888 en 89 wijst de inspecteur Dr. J. Schuler er op, dat de vrouwenarbeid in de fabrieken nog betrekkelijk omvangrijker geworden is.

Wanneer nu hiermee onweerlegbaar is aangetoond dat door de moderne ontwikkeling de vrouw meer en meer aan familiekring en de huiselijkheid onttrokken wordt en zo de burgerlijke maatschappij in een instelling, die een van haar grondslagen vormt, het huwelijk meer en meer de ondergang naderbij brengt, zo moet er tevens bij gezegd worden, dat deze ontwikkeling onder de tegenwoordige toestanden van die aard is, dat de vrouw zelfs daar waar zij hetzelfde voortbrengt als de man, veel slechter dan deze betaald wordt. De vrouw heeft minder behoeften, zij is buigzamer en onderdaniger dan de man, dat zijn, zoals reeds gezegd is, in hoofdzaak de eigenschappen, die haar de werkgever aanbevelingswaardig doen schijnen. Daarbij komt bovendien nog dat zij door haar tot nog toe ingenomen plaats in de familie aan geen bepaalde werktijd gewend is; zij arbeidde, wanneer het kon, zonder ophouden. Van het openbare leven stelselmatig ver gehouden, ontbreekt haar de zin en het begrip van de waarde van vereniging en organisatie. Dat zijn verdere eigenschappen, die in de ogen van de georganiseerde arbeider evenzeer als de vroeger genoemde als gebreken gelden, maar in de ogen van de ondernemers zijn ze even zovele deugden. Zo komt het dat de vrouw zulk een vaste voet zet in de verschillende arbeidstakken en met veel lager loon dan de mannen. Naar mededelingen van het ‘Rapport van de Leipziger Handelskamer voor 1885’ was de verhouding van de lonen bij mannelijke en vrouwelijke arbeiders in een aantal industrietakken in het gebied van genoemde handelskamer als volgt:

Er werd verdiend:

Loonverhouding vrouwen - mannen

Tegenwoordig vormen de beroepen en industrieën waarin de vrouwen nog zijn uitgesloten, slechts een klein aantal, waar tegenover staat dat zij ook in niet weinige, namelijk in de zulke die zich bezighouden met de vervaardiging van voorwerpen, door vrouwen alleen gebruikt, alleen of ten minste bijna alleen gebezigd worden.

In andere nijverheidstakken, zoals in de reeds aangehaalde textielindustrie, heeft het aantal vrouwen de mannen reeds bereikt of zelfs overtroffen. En zij verdringen de mannen meer en meer. In een zeer groot aantal beroepen eindelijk hebben de vrouwen als helpsters in sommige takken en bepaalde werkzaamheden, bezigheid gevonden en zij dringen meer en meer in de nieuwe in.

Het hele resultaat is dat, zowel het aantal vrouwen, als de industrieën, beroeps- en verkeerstakken, waartoe de vrouwen zijn toegelaten, snel aangroeit. En dit aangroeien geschiedt niet enkel ten opzichte van die bezigheden, welke overeenkomstig de mindere fysieke kracht van de vrouw meer voor haar geëigend zijn, maar het omvat zonder dit in acht te nemen, alle werkzaamheden waarin de moderne uitbuiting denkt door haar grotere winst te kunnen behalen. Daaronder behoren zowel de beroepen die de meeste lichamelijke inspanning vereisen, als die welke het onaangenaamste en voor de gezondheid het meest schadelijk zijn, en zo wordt ook hierdoor de fantastische opvatting, die in de vrouw het zachte en fijn besnaarde wezen ziet, zoals romanschrijvers en dichters haar tot prikkeling voor de mannen schilderen, tot haar ware duiding teruggebracht.

Feiten zijn eigenzinnige dingen en slechts met feiten hebben wij hier te doen, daar deze alleen ons voor valse gevolgtrekkingen en sentimenteel gebazel bewaren. Deze feiten nu leren ons, dat wij heden de vrouwen gebezigd zien, onder andere in katoen-, linnen- en wollen stoffen weverijen, in de lakenfabrieken, mechanische spinnerijen, stoffendrukkerijen en ververijen, in stalen pennen- en speldenfabrieken, suiker-, papier- en broodfabrieken, glas en porceleinindustrie en glasbeschildering, in de zijspinnerijen, band en zijdeweverijen, in de zeep en kaarsenfabricatie, de rubberbereiding, de watten en mattenfabrieken, de tapijtbewerking, portefeuille en kartonnage fabrieken, in de kant en passementfabricatie, de tapisserie, schoen en lederbewerking, de bijouterie, de galvanoplastische inrichtingen, in olie en smoutraffineerderijen en scheikundige fabrieken van allerlei soort, in de lompen en voddenbewerking, in houtsnijderrij, houtsnijkunst en steengoedbeschildering, strohoedenfabricatie en strohoedenwasserij, in vaatwerk en tabakfabricatie, de lijm en gelatinefabrieken, in de handschoenmakerij, bontbewerking en hoedenfabricatie, bij de vervaardiging van speelgoederen, in de vlasmolens en in de haarindustrie, in de horlogefabricatie en kamerbeschildering, in de fabrieken voor het zuiveren van bedveeren, de penseel en ouwelvervaardiging, de spiegelfabricatie, vuurwerk en kruitfabrieken, de lucifers en arsenicumfabrieken, bij het vertinnen van ijzerwaren, in de appretuur, in het boekdrukkers en zettersvak, in de slijperijen van edelstenen, in de lithografie, fotografie, kleurenlithografie en metachromatypie, in de pannenbakkerijen, ijzergieterijen en in de metaalbewerking, bij de huizen en spoorwegbouw, bij de bergbouw, bij het transport van rivier en kanaalboten, enz. Verder op het ruime veld van tuin en veldbouw en de veeteelt en de daaraan verbonden industrieën, eindelijk in de verschillende beroepen, waarin zij reeds sedert lange tijd, in zekere zin als bevoorrechten, uitsluitend gebezigd worden; bij de vervaardiging van linnen en vrouwengoederen, de verschillende takken van het modevak, in het beroep van verkoopsters en in de laatste tijd ook meer als bureaulisten, leraressen, opzichtsters in kindertuinen, schrijfsters, kunstenaressen, enz. Ook worden duizenden vrouwen uit de kleine burgerstand gebruikt als winkelslavinnen en in het marktwezen en zijn daardoor aan bijna elke huiselijke bezigheid en inzonderheid aan de kinderopvoeding onttrokken. Eindelijk moet nog een beroep genoemd worden, waarin jonge en welgemaakte vrouwen immer meer een bestaan vinden, maar tot groot nadeel van haar fysieke en zedelijke ontwikkeling, namenlijk haar tewerkstelling in openbare lokalen van allerlei soort tot bediening en aanlokking van de vermaaklustige mannenwereld.

Onder deze verschillende bezigheden zijn er velen hoogst gevaarlijk. Zo is het gevaar van de inwerking van zwavelzuren en alkalische gassen in hoge graad aanwezig in de strohoedenfabricatie en de strohoeden wasserijen, het gevaar van inademing van chloordampen bij het bleken van plantaardige stoffen, vergiftigingsgevaren zijn er in de fabrieken van gekleurd papier, gekleurde ouwels en bloemen, bij de inrichting der metachromatypie, van gift en scheikundige bewerking, het beschilderen van loden soldaten en loden speelwaren in het algemeen. Het opleggen van spiegels met kwikzilver is voor de zwangerschap meest dodelijk.

Van zwangere arbeidsters in de fabricatie en bewerking van lood aborteren (d.i. te vroeg bevallen) ca. 58%, van de 100 geboren kinderen van zulke arbeidsters komen 78,5% dood ter wereld, en van de overige 21,5 bereiken nauwelijks 13 hun tweede levensjaar; een verschrikkelijke toestand! Wanneer van de levend geboren kinderen in de Pruisische staat gemiddeld 22% gedurende het eerste levensjaar sterven, dan van de levend geboren kinderen van spiegelbelegsters 65%, van glasslijpsters, 55%, loodbewerksters 40%. Volgens Dr. Hirt zijn vanaf de tweede helft van de zwangerschap voor arbeidsters en haar kinderen bijzonder gevaarlijk: de fabricatie van gekleurd papier, van kunstbloemen, het zogenaamd bepoeieren van Brusselse kanten met loodwit, het foeliën van spiegels, de rubberindustrie en alle werkzaamheden in fabrieken waarbij de arbeidsters schadelijke gassen — kooloxide, koolzuur en zwavelwaterstofgas - kunnen inademen.

Hoogst gevaarlijk is ook de bereiding van lucifers, de bewerking van kunstwol en de zijdespinnerij. Gevaar voor het leven door verwonding van ledematen ontstaan in het bijzonder in het machinewezen, de textielindustrie, in de fabricatie van vuurwerk en het werken met landbouwmachines.

Dat buiten dit alles een menigte van de aangehaalde bezigheden tot de zwaarste en inspannendste behoren, zelfs voor mannen, zegt iedere lezer een blik werpend op de onvolledige lijst. Men heeft goed te zeggen dat dit of dat werk de vrouw onwaardig is, daarmee zal men nu niets uitrichten, als men haar niet een andere passende werkzaamheid aanwijzen kan.

Het is waarlijk geen prettige aanblik vrouwen, soms zelfs in zwangere toestand bij de spoorwegbouw, zwaarbeladen kruiwagens in wedijver met de mannen te zien voortduwen, of ze te zien bij het bouwen van huizen, als handlangsters om kalk of cement aan te maken of zware stenen te dragen, of bij het wassen van kolen en ijzererts, enz. Daarbij wordt aan de vrouw het vrouwelijke ontnomen, haar vrouwelijkheid wordt met voeten getreden zoals omgekeerd in honderd verschillende beroepen van de mannen al het mannelijke verdwijnt. Dat zijn de gevolgen van de maatschappelijke uitbuiting en van de maatschappelijke strijd om het bestaan. Onze bedorven toestanden werpen dikwijls de natuur ondersteboven.

Het is alzo begrijpelijk en natuurlijk, dat bij de omvang die de vrouwelijke arbeid op elk gebied der bezigheden al bezit, en verder dreigt te zullen aannemen, de belanghebbende mannenwereld dit met geen vriendelijk oog aanziet en wensen als: ‘men moest de vrouwenarbeid geheel onderdrukken en wettelijk verbieden’ geuit worden.

Zonder twijfel gaat bij deze uitbreiding van de vrouwenarbeid het familieleven van de arbeiders steeds meer ten gronde, is de ontbinding van het huwelijks en familieleven het natuurlijke gevolg, nemen zedeloosheid, 1osbandigheid, ontaarding, ziekten van allerlei aard en sterfte onder de kinderen in schrikbarende mate toe.

Volgens een statistiek die in het jaar 1889 de Leipziger Zeitung publiceerde, is in die steden van Saksen die in de laatste 20 jaren echte fabrieksteden werden, de sterfelijkheid onder de kinderen zeer aanzienlijk verhoogd. Terwijl in het tijdvak van 1880-1885 in de Saksische steden van 100 levend geboren kinderen 28,5 in het eerste levensjaar stierven, werd dit cijfer ver overschreden in verschillende fabrieksteden, en wel van 35 tot 44%.

Nog erger waren de toestanden in het merendeel van de grote fabriekdorpen, vooral in de omgeving van Chemnitz, waarvan een groot aantal een sterftecijfer kon aanwijzen van 40 - 50,7%.

En trots alles en allen is deze ontwikkeling een schrede voorwaarts, juist zoals dit het geval was met de vrijheid van de arbeid, de vrijheid van landverhuizing, de vrijheid van het huwelijk en het wegnemen van alle beperkingen, wat allemaal de grootkapitalistische ontwikkeling begunstigt, maar aan onze klein en middelgrote industrie de doodsteek geeft en ze tot reddeloze ondergang doemt.

De arbeiders zijn niet geneigd de kleinarbeid te helpen, waar deze beproeft door allerlei reactionaire pogingen beperkingen van beroepsvrijheid en landverhuizing, weer inrichting van verenigingen en gilden, enz., het dwerg-handwerk nog enige tijd kunstmatig in leven te houden, want dit alles kan tot niets meer leiden. Evenmin echter kan de oude toestand met betrekking tot de vrouwenarbeid weer in het leven geroepen worden, wat echter, zoals van zelf spreekt, niet uitsluit dat strenge fabriekwetten de overmaat van uitzuiging door middel van vrouwen en kinderarbeid verhinderen en de arbeid van schoolplichtige kinderen geheel verbieden moeten.

Hier gaan de belangen van de arbeiders samen met die van de staat [83], met de algemene menselijke, en met die van de ontwikkeling. Het einddoel echter moet zijn dat de nadelen, die de voortschrijdende ontwikkeling, zoals het machinewezen, de verbeterde werktuigen en de ganse moderne wijze van werken, met zich brengen, worden vernietigd en dat slechts de voordelen blijven, die dan echter ook aan alle leden van de maatschappij ten goede moeten komen.

Het is een schreeuwende tegenspraak en een schreiend onrecht, dat de voortschrijding en veroveringen van de beschaving, die het product van heel de menselijke ontwikkeling zijn, slechts degene ten goede komen die ze zich uit kracht van hun materiële macht kunnen toe-eigenen. Dat daarentegen duizenden vlijtige arbeiders en handwerkers door schrik en zorg overvallen worden, wanneer zij horen dat de menselijke geest weer een uitvinding deed die 20 of 40 maal meer kan voortbrengen dan de handarbeid en zij nu kans hebben om als nutteloos en overtallig op straat gezet te worden [84]. Daardoor wordt, wat eigenlijk door allen met vreugde moest ontvangen worden, een voorwerp van vijandelijke gezindheid, die in vroegere jaren meermaals aanleiding gaf tot het bestormen van fabrieken en het wegbreken van machines.

Diezelfde vijandelijke gezindheid bestaat thans tussen de man en vrouw als arbeiders. Dit is eveneens onnatuurlijk. Men moet trachten een maatschappelijke toestand te grondvesten waarin de gezamenlijke arbeidsmiddelen het eigendom van de maatschappij zijn, welke de gelijkstelling in rechten van allen zonder onderscheid van sekse erkent; een maatschappij welke alle denkbare technische en wetenschappelijke verbeteringen en ontdekkingen aanneemt en daarbij tevens in dienst stelt van allen, die heden niet voortbrengen of in schadelijke richting werken, en luiaards en nietsdoeners aan het werk zet, zodat de nodige arbeidstijd tot instandhouding van de maatschappij tot de kleinste maat wordt teruggebracht, maar de geestelijke ontwikkeling van al haar leden zo hoog mogelijk wordt opgevoerd. Daardoor wordt de vrouw even goed als de man een nuttig lid van de maatschappij, in het bezit van de zelfde rechten, en kan zij haar lichamelijke en geestelijke plichten en rechten vervullen. Als vrije en gelijke tegenover de man staande, is zij behoed voor elke vernederende opdracht.

De verdere uiteenzetting zal aantonen dat onze ganse tegenwoordige ontwikkeling op een zodanige toestand uitloopt, en dat het juist de grote en diepe gebreken in deze ontwikkeling zijn, die deze toestand in een niet al te ver verwijderde tijd zal in het leven roepen. Het ‘hoe’ wordt later verklaard.

Hoewel de gekenschetste ontwikkeling in de toestand van de vrouw in ons maatschappelijk leven te begrijpen is, en ieder die ogen heeft haar moet zien, hoort men toch nog dag aan dag het gezwets van de natuurlijke roeping der vrouw, waarmee men uitsluitend het oog heeft op het huiselijke leven en de familie.

En waar hoort men deze redenering het meeste? Daar waar de vrouw tracht in de zogenaamde hogere beroepen te worden toegelaten, bv. in die van de hogere leer- en bestuurvakken, in het beroep van arts of jurist, in de natuurwetenschappen enz. Daar worden de belachelijkste en meest dwaze bezwaren geopperd en onder schijn van ‘geleerdheid’ verdedigd. Het gaat met het beroep op geleerdheid en wetenschap dikwijls op dezelfde wijze als met dat op zeden en orde. Hoewel er nog geen mensen geweest zijn die zede- en ordeloosheid als wenselijke toestanden voorstelden — men moet hiervan natuurlijk uitzonderen zij die door zedeloosheid en wanorde zich van de heerschappij meester maakten, in welk geval zij echter steeds zich beijverde hun daden als ten behoeve van orde, van godsdienst en zedelijkheid voor te stellen - zo worden toch deze grote woorden steeds aangewend tegen hen, die ware zedelijkheid en orde willen grondvesten, die met één woord menswaardige toestanden willen scheppen. Op dezelfde wijze moet ook het beroep op geleerdheid en wetenschap nu dienst doen om de zotste en meest reactionaire dingen te verdedigen. Men beweert dat de natuur en de lichamelijke toestand van de vrouw, haar tot het huiselijke en familieleven hebben bestemd, dat zij daar haar levensdoel te vervullen heeft. En de hoofdtroef is, dat de vrouw beneden de man staat in geestelijke aanleg, dat het onzin is te geloven, dat zij op het gebied van de geest iets kan voortbrengen dat de aandacht waard is.

Deze door geleerden aangevoerde bezwaren tonen zo duidelijk het algemeen vooroordeel van de mannen over de eigenlijke roeping van de vrouw aan, dat, waar zij worden opgeworpen, zij steeds op de bijval van de man en heden ook op die van de meerderheid der vrouwen kan rekenen. Wanneer nu de meerderheid alleen te beslissen heeft, en tegen haar wil en haar vooroordeel niets kan worden ingevoerd, is daarmee nog niet gezegd dat zij steeds het verstandigste wil. Nieuwe ideeën zullen, zolang de beschaving en het inzicht over het algemeen nog laag staan, en maatschappelijke inrichtingen zo zijn, dat haar verwezenlijking de belangen schaden van invloedrijke kringen, steeds tegenstand vinden. Het valt deze belanghebbenden gemakkelijk het vooroordeel van de menigte in hun voordeel aan te wenden, en zo zullen nieuwe ideeën steeds slechts een kleine minderheid voor zich winnen. Zij worden bespot, belasterd en ook vervolgd. Maar als deze ideeën goed en verstandig zijn, uit de toestanden zelf voort komen als noodzakelijk gevolg, dan zullen zij zich uitbreiden en de minderheid wordt eindelijk een meerderheid. Zo ging het met alle nieuwe ideeën in de loop der wereldgeschiedenis, en de ideeën van het socialisme, waarmede de werkelijke en volkomen emancipatie van de vrouw in zo een innige betrekking staat, toont ons hetzelfde schouwspel.

Was ook niet eens het christendom aangenomen door slechts een kleine minderheid? Hebben niet de ideeën van hervorming, van het moderne burgerschap, ook hun machtige tegenstanders gehad? En is het socialisme daarom verloren, omdat het in Duitsland door uitzonderingswetten wordt belemmerd en zich niet weren kan? Nooit was zijn zege zekerder, als toen men geloofde het gedood te hebben. Het heeft zelfs de socialistenwet en de ijzeren Bismarck overwonnen.

Er zijn socialisten die niet minder tegenstanders zijn van de vrouwenemancipatie, als de kapitalisten van het socialisme. Toch is het aantal van hen sedert het verschijnen van de eerste uitgave van dit werk merkelijk verminderd.

De afhankelijke toestand van de arbeiders tegenover de kapitalisten wordt door iedere socialist begrepen, en hij verwondert zich dat anderen, met name de kapitalisten, haar niet begrijpen willen; maar de afhankelijkheid der vrouwen van de man begrijpt hij dikwijls niet, terwijl zijn eigen geliefd ik daarbij een weinig in ‘t spel komt. Het streven, werkelijke of vermeende belangen te behoeden, die dan steeds onfeilbaar en onaantastbaar zijn, maakt de mensen zo blind.

Het beroep op de natuurlijke roeping van de vrouw als uitsluitende huishoudster en kinderoppas heeft even weinig zin als de mening dat er eeuwig koningen zullen zijn, omdat zolang wij een ‘geschiedenis’ hebben, er steeds op de een of andere wijze zulke personen waren. Hoewel wij niet weten waar de eerste koning ontstond, hoewel wij evenmin weten waar de eerste kapitalist ‘door roeping der natuur’ zich vertoonde, weten wij toch dat het koningschap in de loop van de eeuwen wezenlijk van karakter veranderde, dat de neiging toeneemt het meer en meer van macht te beroven, en daaruit kunnen wij met recht en rede opmaken dat er een tijd zal komen waarin men het koningschap voor overbodig zal houden. Zoals het koningschap, zo is ook elke staatkundige of maatschappelijke instelling aan voortdurende veranderingen en vervormingen onderworpen en eindelijk tot volledige ondergang gedoemd. Juist zo is het gesteld met het huwelijk en de vrouw in de echt. Die toestand van de vrouw in het huwelijk ten tijde van de oude patriarchale familie is wezenlijk verschillend van die in Griekenland, waar de vrouw, zoals wij uit de woorden van Demosthenes zien, het enige doel had: ‘wettelijke kinderen voort te brengen en een trouwe bewaakster des huizes te zijn’. Wie zou het nu wagen een zodanige stelling over de vrouw als ‘met haar natuur overeenkomende’ te verdedigen, zonder zich het verwijt van geringschatting der vrouw op de hals te halen?

Dat er nog achterblijvers zijn, die de opvatting der Atheners in stilte zijn toe gedaan valt niet te betwijfelen, maar niemand waagt nu openlijk uit te spreken wat in Griekenland voor 2200 jaar, een van de beduidendste mannen vrij en openlijk als iets dat vanzelf sprak durfde noemen. Hierin ligt de grote vooruitgang. Al heeft ook de gehele moderne ontwikkeling van het beroepsleven, miljoenen van huwelijken ondermijnd, zo heeft toch juist deze ontwikkeling een gunstige invloed op het huwelijk uitgeoefend, namelijk daar waar de maatschappelijke toestand van de echtelingen de verstorende invloed wist buiten te sluiten.

Zo was het voor enkele tientallen jaren in elk burger en boerenhuishouden niet alleen natuurlijk dat de vrouw naaide, strikte en waste, hoewel ook dat nu voor een groot deel uit de mode is geraakt; zij bakte ook brood, spon, weefde, bleekte, brouwde bier, kookte zeep en maakte kaarsen. Een kledingstuk buitenshuis laten maken, werd door de ganse stad als een ongehoorde verkwisting aanzien en als een gebeurtenis door mannen en vrouwen besproken en veroordeeld. Als zulke toestanden misschien nu nog hier en daar aanwezig zijn, dan zijn het toch uitzonderingen. Meer dan 90% van de vrouwen onthouden zich van deze bezigheden en met recht. Aan de ene zijde worden deze beter, praktischer en goedkoper verricht dan de huisvrouw dat doen kan, aan de andere kant zou, ten minste in de steden, nu een huiselijke inrichting daartoe ontbreken. Zo is in weinige jaren in de boezem van ons familieleven een grote omkering tot stand gekomen, waarop wij slechts zo weinig letten omdat wij haar voor zo natuurlijk houden. De mens voegt zich naar nieuwe toestanden, let er niet eens op, wanneer zij niet te plotseling voor hem optreden, maar tegen nieuwe meningen, die hem uit de gewone sleur dreigen te rukken, staat hij op en verzet er zich met eigenzinnigheid tegen.

Deze ommekeer, die in ons huiselijke leven tot stand gekomen is en steeds verder voortschrijdt, heeft ook in een andere richting de toestand van de vrouw in de familie wezenlijk veranderd. Zij is vrijer en onafhankelijker geworden. Onze grootmoeders hebben er niet aan gedacht en durfden er niet aan denken, als arbeidsters en leerlingen het huis uit - en van tafel weg te blijven, theaters, concerten, lokalen voor vermaak te bezoeken, en dat wel — het is vreselijk om te zeggen - dikwijls op een dag in de week. En welke van die goede oudjes had er aan gedacht, had het gewaagd er aan te denken, zich te bekommeren om openbare, zij het ook niet politieke aangelegenheden, zoals toch inderdaad nu door velen gedaan wordt. Men richt verenigingen op met de meest verschillende doeleinden, houdt er dagbladen op na en roept congressen bijeen. Als arbeidsters treden zij in arbeidersverenigingen, komen dikwijls op de vergaderingen en verenigingen van mannen, en bezitten reeds hier en daar - ik spreek van Duitsland - het recht te kunnen kiezen voor arbeiderscheidsrechtbanken, een recht, dat haar de Rijksdag in het jaar des heils achttien honderd negentig gelukkig weer ontnam.

Welke oude pruik zou al deze veranderingen willen vernietigen, hoewel het niet te ontkennen valt dat naast de lichtzijden ook schaduwzijden gevonden worden, die juist met onze gistende en bedorven toestanden samenhangen maar die niet de lichtzijden overtreffen. Een stemming onder de vrouwen, zo behoudend als ze tot nu toe over het algemeen nog zijn, zou uitmaken dat zij geen neiging hebben tot de oude gedwongen patriarchale verhoudingen van het begin van deze eeuw terug te keren.

In de Verenigde Staten, waar de maatschappij weliswaar nog als burgermaatschappij is ingericht, maar niet meer met oude Europese vooroordelen, of overoude instellingen te kampen heeft en wat meer geneigd is nieuwe ideeën aan te nemen, als zij voordeel beloven, is de toestand van de vrouw sedert geruime tijd en in omvangrijke kringen heel wat anders dan bij ons. Daar is men bijvoorbeeld al dikwijls op de gedachte gekomen dat het niet alleen lastig en omslachtig en voor de beurs bedenkelijk is, als de vrouw nog zelf brood bakt en bier brouwt, men houdt het ook reeds voor overbodig en nadelig als zij nog in haar eigen keuken kookt. De particuliere keuken is vervangen door de gemeenschappelijke bereiding van spijzen in grote stoomkeukens en machines; de vrouwen doen daar bij afwisseling dienst en het gevolg is dat het eten een derde goedkoper is, aangenamer smaak heeft, meer afwisseling aanbiedt en heel wat minder moeite veroorzaakt.

Onze officieren, die anders niet voor socialisten of communisten zullen worden uitgemaakt, leven juist op dezelfde wijze. Zij vormen in hun sociëteitsgebouw een soort van kookgenootschap, benoemen een bestuurder die voor de inkopen zorgt, de levensmiddelen in het groot koopt, terwijl het gereedmaken van de spijzen geschiedt in de stoomkeuken van de kazerne. Zij leven heel wat goedkoper dan in een hotel en hebben minstens even goed eten. Verder leven en eten ook duizenden van de rijkste families in Europa het hele jaar door in pensionaten en in hotels, zonder dat zij in het minst de eigen huiselijke keuken ontberen. Zij beschouwen het veel meer als een groot gemak van de moeite en zorgen van een eigen keuken en private huishouding bevrijd te zijn.

Komen naast de stoomkeuken, de stoomwasinrichtingen met stoomdroogzolders, zoals er reeds vele bestaan, wordt het tijdrovende en onaangename kachelstoken vervangen door een doelmatige algemene verwarming; zoals deze reeds veelvuldig gevonden wordt in onze hotels, voorname particuliere huizen, gasthuizen, scholen en kazernes, zij het dan ook nog gebrekkig en onvolkomen, zo wordt de vrouw van verdere hoogst lastige en tijdrovende arbeid bevrijd.

In de zomer van 1890 brachten de dagbladen een beschrijving van de vorderingen welke in de Verenigde Staten - waar men voor vragen van de vooruitgang veel meer een open oog heeft dan in het ouderwetse Europa en met name in het kleinburgerlijke Duitsland — in de centrale verwarming en luchtverversing gemaakt waren. Daarover leest men:

“De in de laatste tijd hoofdzakelijk in Noord-Amerika aangewende pogingen de verwarming van hele straten of ganse stadswijken van één middelpunt uit te doen geschieden, hebben niet tot onbelangrijke resultaten geleid, en zijn ten opzichte van de inrichting daarvan zo zorgvuldig en doeltreffend uitgevoerd, dat met het oog op de gunstige ervaringen en de financiële voordelen een verdere uitbreiding mag verwacht worden”. Thans is men er nu verder naar aan het streven, niet alleen de verwarming, maar ook het verschaffen van frisse lucht, zij het in verwarmde, zij het in afgekoelde toestand, van bepaalde stadswijken van niet al te grote omvang, van uit enkele centrale punten, te doen gebeuren. Dit streven zien wij verwezenlijkt in het zogenaamde Timby-stelsel, dat volgens een bericht door het Centraal orgaan van het bouwbestuur ontleend aan een rapport van de technische ingenieur in Washington, regeringsbouwmeester Petri, dat door de National Heating and Ventilating Compagnie (Nationale verwarming- en luchtverversing maatschappij), bij haar werken ten grondslag ligt.

De genoemde maatschappij had oorspronkelijk het plan steden met hoogstens 50.000 inwoners vanuit een centraal punt te ventileren. De moeilijkheden die hierbij, de nodige snelheid van de lucht en de grootte van de blaasmachines, kwamen, hebben aanleiding gegeven slechts uitbreidingen van het net tot hoogstens 800 meters lengte te kiezen en bij bijzonder dichte bebouwing in industrieoorden voor elk blok huizen een afzonderlijke machinerie aan te leggen.

Het grondidee van het Timby-stelsel is zeer eenvoudig. In de centrale afdeling bevinden zich de damp- of heetwaterketels, waar de grootte afhangt van de omvang van de stad of het blok huizen, en door welke de hoofdluchtleiding in gesloten buizen gevoerd wordt en een deel van de voortgebrachte warmte in zich opneemt. Om in het verdere verloop van de in de straten aan te leggen hoofdluchtleiding een gelijkmatige warmte of een voortdurende vervanging van het warmteverlies te verkrijgen, is van de ketels uit, binnen de luchtleiding en tot aan haar einde een damp of heetwaterbuis aangebracht, die door ene andere dampwaterbuis weer naar de ketel teruggevoerd wordt. De som der voortgebrachte warmte van de warmere dampbuis en de koelere dampwaterbuis, d.w.z. van de afvoerende en terugvoerende buis, is op alle plaatsen zowat gelijk, zodat ook binnen de luchtbuis over haar hele lengte ongeveer dezelfde temperatuur heerst. De lucht wordt door een blaasbalg in de hoofdbuizen gedreven, bezit daardoor immer een grotere drukking, zodat het indringen van schadelijke gassen uit de grond bijna niet te vrezen is. Van de hoofdleidingen lopen afzonderlijk luchtbuizen naar de enkele gebouwen af, die de lucht verder naar de kleinere woon of arbeidskamers leiden. Door luchtmeters wordt de verbruikte hoeveelheid warmte bepaald.

Met zulke plannen houdt men zich bezig te midden van de burgerlijke wereld in de Verenigde Staten. Dat nu datgene, wat daar een voorwerp van private speculatie en van de private bezitter is, even goed vanuit de staat of gemeente voor allen doorgevoerd kan worden, met het grootste voordeel voor allen, is buiten twijfel.

Maar de kleinburgerlijke bekrompenheid haalt nog gaarne de schouders op over zulke en dergelijke plannen. Wanneer men onze vrouwen van 50 of 60 jaar geleden de voorstel gedaan had, hun dochters en dienstboden het waterhalen, door het aanleggen van een waterleiding, te besparen, dan zouden zij dit ook voor dwaas en nutteloos hebben uitgekreten. Daardoor gewende men dochters en meiden slechts aan de luiheid. Heeft niet Napoleon I het plan een schip door stoom te doen bewegen voor hersenschimmig verklaard? En hoe werden onze spoorwegen beoordeeld met het oog op die ‘arme koetsiers?'

Zo toont onze hedendaagse burgerlijke maatschappij op elk gebied reeds de kiemen, die een nieuwe maatschappij slechts in het groot en in ‘t algemeen hoeft te ontwikkelen om een geweldige omkeer ten goede te bewerken.

Het is na dit alles duidelijk dat de gehele ontwikkeling van het maatschappelijke leven er niet toe leidt de vrouw weer terug te bannen in het huis en aan de haard, zoals de dwepers met huiselijkheid haar voorschrijven en waarnaar deze verlangen, evenals de joden in de woestijn naar de vleespotten van Egypte, maar tot het openbaar optreden van de vrouw buiten de enge kring van het huiselijke leven met vrije deelneming aan het publieke leven van het volk — waartoe men dan niet meer alleen de mannen zal rekenen - en aan de beschavingsvraagstukken der mensheid. Dit heeft ook Laveleye volkomen erkend, toen hij schreef [85]:

“Naarmate dat wat wij gewoon zijn beschaving te noemen, toeneemt, verzwakken de gevoelens van piëteit en de banden van de familie en oefenen minder invloed uit op de handelingen van de mensen. Dit feit is zo algemeen, dat men er een maatschappelijke ontwikkelingswet in mag zien”.

Volkomen juist. Niet alleen is de situatie van de vrouw een heel andere geworden, met deze is ook de verhouding van zoon en dochter tot het huisgezin veranderd, daar deze langzamerhand een zelfstandigheid verkregen hebben, zoals vroeger onbekend was; in het bijzonder is dit het geval in de Verenigde Staten, waar de opleiding tot mannelijke zelfstandigheid en onafhankelijkheid door de gehele maatschappelijke geest, tot heel wat hoger graad gebracht wordt dan bij ons.

De schaduwzijden, die heden ook deze vorm van ontwikkeling aankleven, zijn geen strikt noodzakelijke, zij kunnen bij meer volmaakte toestanden zeer wel vermeden worden en worden dan ook vermeden”.

Zoals Laveleye erkent ook Dr. Schäffle, dat het geheel gewijzigd karakter van het huisgezin in onze tijd het gevolg is van genoemde maatschappelijke oorzaken. Hij zegt [86]

“Wij zien doorheen de ganse geschiedenis, zich een neiging voortzetten om het huisgezin terug te brengen tot de uitoefening van niet meer dan haar karakteristieke functies. Het huisgezin legt achtereenvolgens de ene functie na de andere af, die het te voren tijdelijk en als plaatsvervanger had uitgeoefend; het wijkt, voor zo ver het enkel als surrogaat voor het ontbreken van maatschappelijke functies was opgetreden, voor instellingen van recht, orde, bestuur, godsdienst, onderwijs, techniek, enz., zodra deze instellingen ontstaan zijn”.

De vrouwen zelf namen deel in de vooruitgang, zij het dan ook tot heden slechts in kleine minderheid en nog met niet volkome heldere doeleinden. Zij stellen zich niet langer tevreden, hun krachten uitsluitend op het gebied van nijverheid en industrie met die van de man te kunnen meten en een vrijere, minder afhankelijke positie in het huisgezin te verwerven, zij willen ook hun geestelijke bekwaamheden in werking brengen in de hogere instellingen.

Hiertegen oppert men de bewering, dat zij daartoe niet in staat zijn, omdat de natuur hun daartoe niet voldoende heeft begiftigd. Hoewel de vraag omtrent de bekwaamheid der vrouw tot het vervullen van hogere beroepen, voor de hedendaagse maatschappij slechts een kleine minderheid betreft, zo is zij toch van principieel gewicht. Want moet zij ontkennend worden beantwoord, dan ware daarmee de beweerde hogere ontwikkeling en de gelijkstelling in rechten der vrouw twijfelachtig geworden. Behalve om al deze redenen is er nog een andere, waarom dit vooroordeel vernietigd moet werden. Omdat namelijk de grote meerderheid van de mannen gelooft, dat de vrouwen steeds in geestelijke ontwikkeling beneden de man moeten en zullen staan.

Het is dan ook belachelijk te zien, hoe dezelfde mannen, die er niets weten tegen in te brengen, dat de vrouw in verschillende beroepen gebezigd wordt, waaronder er vele zeer inspannend en uiterst gevaarlijk zijn, waarin haar vrouwelijkheid ten zeerste wordt bedreigd, en waarin zij haar plichten als moeder en echtgenote ten diepste moeten schenden, dat die mannen haar willen uitsluiten van beroepen, waar al deze belemmeringen en gevaren in vrij wat kleinere mate gevonden worden; bezigheden die vrij wat beter geschikt zijn voor haar teder lichaam, dat overigens in kracht veelal glorierijk een vergelijking kan doorstaan met dat van menige geleerde.

Onder de geleerden in Duitsland, die van een toelating van de vrouw tot de hogere studie niets of slechts zeer weinig willen weten, behoren bv. prof. D. Bischoff in München, Dr. Ludwich Hirt in Breslau, prof. H. Sybel, L. von Bärenbach, Dr. E. Reich en vele anderen. Von Bärenbach gelooft het recht op toelating tot, alsmede de aanleg der vrouw voor de wetenschap, daarmede te kunnen ontkennen dat tot nu toe onder de vrouwen nog nooit een genie is opgestaan en dat de vrouwen blijkbaar onvatbaar zijn voor de filosofie studie. “De wereld heeft, dunkt mij, tot nu toe genoeg gehad aan de mannelijke filosofen, zij kan het best buiten vrouwelijke doen”. En wat de tegenwerping betreft dat de vrouwen nog geen genie hebben voortgebracht, ook deze schijnt mij toe niet steekhoudend te zijn en niets te bewijzen. Genieën vallen niet uit de lucht, zij moeten gelegenheid tot vorming en ontwikkeling hebben en deze heeft de vrouwen, zoals de voorafgegane geschiedkundige schets wel reeds aangetoond heeft, tot nu toe bijna volkomen ontbroken, ja men heeft ze eeuwen lang op allerlei wijzen onderdrukt. Zeggen, dat vrouwen geen aanleg voor genieën bezitten, omdat men gelooft van het ganse, niet geringe aantal merkwaardige vrouwen te mogen aannemen, dat hun alle genie ontbreekt, is even dwaas, alsof men bewijzen wil, dat er in de mannenwereld verder geen genieën mogelijk geweest zijn als die enkelen, welke men als zodanig beschouwde, omdat zij gelegenheid hadden zich te ontwikkelen. Nu weet echter reeds de eenvoudigste dorpsschoolmeester, welk een verscheidenheid van talenten bij zijn leerlingen in het geheel niet tot ontwikkeling kunnen komen, daar elke voorwaarde daartoe ontbreekt. Het aantal talenten en genieën in de mannenwereld is zeker duizendmaal groter als tot nu toe zich kon openbaren, daar de maatschappelijke toestanden ze verstikten, en juist zo gaat het met de aanleg van het vrouwelijk geslacht, dat sedert eeuwen nog heel wat meer is onderdrukt, belemmerd en verminkt geworden. Wij hebben in ieder geval in het geheel geen maatstaf, waarnaar wij beoordelen kunnen, welk een volheid van geestelijke krachten en talenten zich bij mannen en vrouwen ontwikkelen zullen, wanneer deze zich slechts onder natuurlijke voorwaarden kunnen ontplooien.

Heden is het met de mensheid juist zoals in de plantenwereld, waar miljoenen kostbare zaadkiemen niet tot ontwikkeling komen, omdat de bodem op welke zij vallen, reeds door andere planten is ingenomen, welke de jonge planten voedsel, lucht en licht ontroven.

Dezelfde wetten gelden in het mensenleven, zowel als in de natuur; Als heden een tuinman of landbouwer van de een of andere plant wil beweren dat deze niet tot ontwikkeling en wasdom kon komen, zonder de proef ermee te hebben genomen, ja haar tot nu toe door verkeerde behandeling in haar groei belemmerd had, dan zou zulk een tuinman of landbouwer door al zijn meer ontwikkelde buren voor een onnozele hals worden uitgemaakt en dat met het volste recht. Hetzelfde zou geschieden, wanneer hij weigerde een van zijn vrouwelijke huisdieren met een mannetje van beter ras te kruisen, om zodoende een betere diersoort te fokken.

Er zou heden in Duitsland nauwelijks één boer te vinden zijn, die nog zo onwetend is dat hij de voordelen van een zodanige behandeling van zijn planten en dieren niet inziet, - een andere vraag is of zijn middelen hem veroorloven de betere methode door te voeren - voor de mensenwereld echter willen zelfs geleerden niet laten doorgaan, wat voor geheel de overige wereld door hen als een onveranderlijke wet wordt beschouwd. En toch kan ieder zonder dat hij natuuronderzoeker is, in het gewone leven zeer talrijke waarnemingen doen.

Wat is de oorzaak dat zich stadskinderen van boerenkinderen onderscheiden? Waardoor verschillen kinderen uit de meest gegoede standen van die van de armen in de vorm van het gelaat zowel als in die van het lichaam en eveneens in bepaalde geestelijke eigenschappen? Het komt door het verschil in levens en opvoedingsvoorwaarden.

De eenzijdigheid, gelegen in de vorming van een bepaald beroep, merkt de mensen met haar eigenaardige stempel. Een geestelijke, een schoolonderwijzer, wordt meestal gemakkelijk aan zijn houding en gelaatsuitdrukking herkend, evenzo een militair, ook zelfs in burgerlijke klederdracht. Een schoenmaker herkent men gemakkelijk van een kleermaker, een meubelmaker van een slotenmaker. Tweelingbroers, die op elkaar leken in hun jeugd, zullen op latere leeftijd aanmerkelijke verschillen vertonen, als zij een tegenovergesteld beroep uitoefenen, als de een handenarbeid, de andere wijsbegeerte beoefent. Overerving en het zich schikken naar de omstandigheden spelen alzo in de menselijke ontwikkeling, even goed als in het dierenrijk, een invloedrijke rol en de mens schijnt nog wel het buigzaamste en kneedbaarste aller schepselen te zijn.

Dikwijls zijn weinig jaren van een ander werk en levenswijze voldoende om hem tot een heel ander wezen te maken. Deze snelle verandering, ten minste voor het uiterlijk, komt nergens opvallender aan het licht dan daar waar een mens uit armelijke en geringe omstandigheden snel in werkelijk betere wordt overgeplaatst. Al moge het waar zijn dat hij zijn verleden het minst kan verloochenen in de geestelijke beschaving, dit ligt niet aan de onmogelijkheid zich verder te ontwikkelen, maar omdat slechts zeer weinige mensen boven een zekere leeftijd behoefte aan verdere geestesontwikkeling voelen of zelfs voor nodig houden. Dit is hoofdzakelijk de reden waarom zulk een door fortuin begunstigden weinig onder de genoemde gebreken te lijden heeft. Onze tijd, die bijna alleen in het geld de materiële grootheid ziet, buigt zich voor de schatrijke man met veel meer bereidwilligheid dan voor de man van genie en grote geestesgaven, als deze het ongeluk heeft arm te zijn en geen rang te bezitten. Het is overigens zeker dat men de kinderen van zulk een parvenu hun afkomst in manieren en houding bijna nooit meer aanziet, en verstandelijk worden zij ook geheel andere mensen.

Het treffendste voorbeeld echter van wat de zeer verschillende levensomstandigheden en opvoeding de mens maken, zien wij in onze fabrieksdistricten.

Daar vormen arbeiders en eigenaars uiterlijk zulk een tegenstelling als behoorden zij tot twee verschillende rassen. Hoewel aan deze tegenstelling gewoon, kwam zij mij toch op een verschrikkelijke wijze voor ogen gedurende een kiesvergadering, die ik in de winter van 1877 in een fabrieksplaats van het Ertsgebergte hield. De vergadering, in welke ik een debat voerde met een liberale professor, was zo gerangschikt dat beide partijen sterk waren vertegenwoordigd. Het voorste deel van de zaal werd ingenomen door de tegenstanders, bijna zonder uitzondering krachtige, dikwijls grote gestalten van een zeer gezond uiterlijk, in het achterste deel van de zaal, op de galerijen, stonden de arbeiders en kleine burgers, voor negen tienden wevers, meestal kleine magere gestalten met smalle borst en bleke wangen, bij wie kommer en zorgen in het gelaat lag. De ene vertegenwoordigden de verzadigde deugd, de geldbezittende zedelijkheid, de andere waren de arbeidende bijen en lastdieren, van wie degene die er zo goed uitzagen door hun productie leefden, terwijl zij zelf honger leden. Men plaatste gedurende een generatie (geslacht) beide onder gelijke omstandigheden en de tegenstelling zal verdwijnen, zeker is zij vernietigd in hun nakomelingen.

Het is verder opvallend dat het in het algemeen bij vrouwen moeilijker is hun maatschappelijke positie te bepalen dan bij mannen, daar zij zich gemakkelijker en met vaardigheid naar nieuwe omstandigheden voegen en hogere levensgewoonten aannemen. Hun vermogen daartoe is groter dan dat van de over het geheel meer lompe man. Welke grond bestaat er dan te betwijfelen dat zij ook in verstandelijk opzicht voor verdere ontwikkeling vatbaar is?

Uit dit alles leren wij het grote gewicht kennen, wat de maatschappelijke toestanden voor de ontwikkeling en de toestand der individuen hebben.

Het is bekrompenheid en kwaadwilligheid te bestrijden, dat verbeterde maatschappelijke, fysieke en verstandelijke opvoedings en levensomstandigheden onze vrouwen tot een graad van volmaking kunnen brengen, waarvan wij heden nog geen volledige voorstelling bezitten. Wat tot heden toe enkele vrouwen verricht hebben, doet dit waarlijk als ontwijfelbaar voorkomen, want deze vrouwen steken minstens even ver uit boven het gemiddeld peil van haar sekse als de mannelijke genieën boven dat van hun sekse. In het regeren van landen hebben vrouwen, hun aantal in aanmerking genomen, en hun werkzaamheid, gemeten naar de maatstaf waarmee men dan gewoon is vorsten te meten, gemiddeld inderdaad meer talent getoond dan de mannen. Men herinneren zich bv. slechts Isabella van Castilië, Elizabeth van Hongarije, Elizabeth van Engeland, Katharina van Rusland, Maria-Theresia, enz.

Bovendien zou menig groot man der geschiedenis tot vrij wat kleiner omvang inkrimpen, wanneer men steeds wist wat hij zich zelf en wat hij anderen te danken had. De Duitse geschiedschrijvers bv. de heer v. Sybel, noemen graaf de Mirabeau als de grootste redenaar en het grootste genie uit de Franse Revolutie.

En nu heeft het onderzoek aangetoond dat dit geweldig genie, de ontwerpen van bijna al zijn redevoeringen, en van de belangrijkste zonder enige uitzondering, te danken heeft aan de bereidwillige hulp en de ondersteuning van enige in stilte arbeidende geleerden, welke hij handig wist te gebruiken. Aan de andere zijde verdienen verschijnigen in de vrouwenwereld zoals mevrouw de Staël, George Sand, de grootste opmerkzaamheid en menige mannelijke ster verbleekt naast haar. Wat vrouwen hebben gedaan als de moeders van beroemde mannen is eveneens bekend.

Alles in alles genomen hebben de vrouwen op verstandelijk gebied voortgebracht, wat onder uiterst ongunstige omstandigheden slechts mogelijk was, en dat geeft ons het recht de beste verwachtingen te koesteren voor haar verdere geestelijke ontwikkeling.

Maar laat ons zelfs aannemen dat vrouwen gemiddeld niet zoveel aanleg tot ontwikkeling hebben als de mannen, dat zij geen genieën en grote filosofen kunnen worden, is dan deze omstandigheid voor de meerderheid van de mannen maatgevend geweest, toen men hen, ten minste volgens de letter der wet, ten volle in rechten gelijkstelde met ‘genieën’ en ‘filosofen’? Dezelfde geleerden die elke hogere aanleg in de vrouw ontkennen, zijn ook licht geneigd dit tegenover handwerkslieden en arbeiders te doen. Als de adel zich beroept op zijn blauw bloed en zijn stamboom, glimlachen zij spottend en halen de schouders op. Maar tegenover de mannen uit de lagere stand houden zij zich voor een aristocratie, die de hemel wat zij geworden is, niet te danken heeft aan gunstiger levensomstandigheden, bewaar ons, dat ware een vernedering van hun persoon, maar enkel en alleen aan het hun van nature eigen talent en verstand. Dezelfde mannen, die op het ene gebied, tot de minst bevooroordeelde behoren en een geringe mening van hen bezitten, die niet even als zij vrij denken, zijn op een ander gebied, zodra het de belangen van hun stand of rang betreft, of zodra hun ijdelheid of eigenliefde er bij in ‘t spel komt, bekrompen tot domheid toe en zelfs tot fanatieke tegenstand gezind. Zo denkt en oordeelt de hogere mannenwereld over de vrouw. De grote meerderheid der mannen ziet in de vrouwen slechts een voorwerp voor hun nut en genoegen; ze als wezens met gelijke rechten te beschouwen, daartoe bezitten zij te veel vooroordeel. De vrouw moet deemoedig en bescheiden zijn, zich uitsluitend tot het huis beperken en aan hen; ‘de heren der schepping’ al het overige als domein overlaten De vrouw moet haar eigen gedachten en neigingen beteugelen, en rustig afwachten wat haar aardse voorzienigheid, de vader of echtgenoot, over haar beschikt. Hoe meer zij zich aan al deze eisen onderwerpt, des te meer prijst men haar als ‘verstandig, zedig en deugdzaam’ al mag zij ook geheel of gedeeltelijk te gronde gaan onder de last van haar fysiek en moreel lijden. Wanneer men echter spreekt van de gelijkheid van alle mensen, dan is het een onding, de helft van het menselijk geslacht daarvan te willen afzonderen.

De vrouw heeft van de natuur dezelfde rechten ontvangen als de man, toeval van geboorte kan daaraan niets veranderen. De vrouw haar mensenrechten te onthouden, omdat zij als vrouw en niet als man geboren is - waaraan de man even onschuldig is als de vrouw - is even onzinnig en onrechtvaardig als wanneer het bezit van rechten afhankelijk gemaakt wordt van de godsdienst of de politieke richting, die men toevallig heeft, of dat twee mensen elkaar als vijanden beschouwen, omdat zij door het toeval van geboorte tot verschillende volksstammen of nationaliteiten behoren. Dit zijn allemaal gezindheden die de mens onwaardig zijn en de vooruitgang van de mensheid bestaat daarin alle belemmeringen zo gauw mogelijk uit de weg te ruimen. Geen andere ongelijkheid heeft recht van bestaan, dan die welke de natuur zelf grondvestte ter bereiking van haar, voor het uiterlijk verscheiden, maar in wezen overeenkomende doeleinden. De grenzen der natuur zullen echter door geen geslacht overschreden worden, daar dit daarmede zijn eigen levensdoel vernietigen zou. Daarop kunnen wij ons met zekerheid verlaten, en geen geslacht heeft het recht andere grenzen te stellen, evenmin als de ene klasse de andere.

Hiermede kon het betoog eindigen over het onrechtvaardige, om de vrouw van alle hogere geestesontwikkeling te willen uitsluiten, ja haar daartoe zelfs niet in staat te achten, maar wij moeten nog een belangrijke tegenwerping onderzoeken.

Het voornaamste bezwaar van de tegenstanders is dat de vrouw kleinere hersenen heeft dan de man, en daarmee achten zij haar eeuwige minderheid bewezen. Het eerste lid van deze redenering is juist, de gevolgtrekking willen wij onderzoeken.

De grootte der hersenen en daarmee overeenkomstig het gewicht van de hersenmassa, is bij het vrouwelijk geslacht gemiddeld kleiner dan het mannelijke. Volgens Huschke [87] is de gemiddelde schedelinhoud van de Europeërs 1446 cm3, die van de vrouw 1226, verschil 220 cm3.

In gewicht schat prof. Bischoff de mannelijke hersens gemiddeld op 126 gram zwaarder dan de vrouwelijke. Prof. Meinert stelt de gewichtsverhouding van de mannelijke en vrouwelijke hersens op 100:90. Het gewicht van de hersenen is echter bij verschillende individuen van de zelfde sekse zeer verscheiden. Volgens prof. Reklam wogen de hersenen van de natuuronderzoeker Cuvier 1861 g, die van Byron 1807 g.; die van de wiskundige Dirichlet 1520, die van de beroemde wiskundige Gaus slechts 1492, die van de taalgeleerde Hermann 1358 en die van de geleerde Hausmann 1226 gram.

Wij zien hier een reusachtig verschil in het hersengewicht van begaafde mannen. De hersenen van Hausmann waren in gewicht ongeveer gelijk aan het gemiddelde gewicht van de vrouwelijke hersenen.

Uit de hersenverschillen blijkt al dadelijk dat het voorbarig is de mate der verstandelijke ontwikkeling uitsluitend van het gewicht der hersenen afhankelijk te willen stellen. Over het geheel zijn de onderzoekingen nog te nieuw en te klein in aantal om een beslissend oordeel mogelijk te maken. Men moet echter naast het gemiddeld gewicht van de hersenen bij beide geslachten, ook de verdere fysieke organisatie in beschouwing nemen en dan blijkt het dat met, betrekking tot de gemiddelde maat van het lichaam en het gemiddeld lichaamsgewicht, de vrouwelijke hersenen gemiddeld groter zijn, dan die van de man. Zo min als de lichaamsgrootte een maat voor de lichaamskracht kan zijn, zo min kan de hersenmassa het zijn voor de kracht van de geest. Wij hebben zeer kleine dieren (bijen, mieren) die veel grotere (schaap, koe) in verstand overtreffen, evengoed als wij dikwijls ondervinden dat mensen van grote gestalte in geestvermogens ver beneden andere, van kleine en nietige gestalte staan. Het komt alzo zeer waarschijnlijk niet alleen op de hersenmassa aan, maar in hogere mate op de organisatie der hersenen en niet het minste op oefening en het gebruik van de hersenen.

De hersenen moeten, om hun vermogens ten volle te ontwikkelen, vlijtig geoefend en daarmee overeenkomstig gevoed worden; wanneer dit niet geschied of als de ontwikkeling in geheel verkeerde richting wordt geleid, als in plaats van de delen, die inzonderheid het verstand vertegenwoordigen, te prikkelen en tot ontwikkeling te brengen, die delen worden geoefend waarin het gevoel en de verbeelding hun zetel hebben, dan neemt men niet alleen belemmering in de groei, maar ook verminking waar. De ene richting wordt gevoed ten kost van de andere.

Nu kan echter niemand, die de geschiedenis van de vrouwen ontwikkeling enigermate kent, bestrijden dat bij de vrouwen in deze richting zwaar gezondigd werd en nog wordt en dat wel sedert duizenden jaren. Als daarentegen prof. Bischoff beweert dat de vrouw even goed als de man in de gelegenheid is geweest haar hersenen, haar verstand te ontwikkelen, dan toont deze bewering een ongeoorloofde en ongehoorde mate van onwetendheid van de geleerde in de zaak die hij bespreekt. Waardoor is dan het opvallende feit te verklaren dat bij volken, die op een lagere trap van beschaving staan, zoals bv. de negers en bijna alle wilde volksstammen, het hersengewicht en de hersenmassa bij vrouwen en mannen veel gelijkmatiger zijn, dan dat onder de beschaafde volken het geval is?

Hierdoor immers alleen, dat de mannen van die beschaafde volkeren hun hersenfuncties in hogere graad ontwikkelen en de vrouwen worden tegen gehouden. In de 1e afdeling van dit geschrift is aangetoond dat in het begin de geestelijke en lichamelijke eigenschappen bij mannen en vrouwen nauwelijks enig verschil vertonen, dat echter tengevolge van de heerschappij die de man zich over de vrouw heeft aangematigd, dit verschil gedurende een lang ontwikkelings proces, steeds groter worden moest.

Als onze geleerden natuurkenners willen zijn, dan moeten zij ook begrijpen dat de wetten van hun beperkte wetenschap ook geldig zijn voor het leven en de ontwikkeling van de mens. Zij moeten leren dat de wetten van ontwikkeling, erfelijkheid en ‘aanpassing’ evenzeer gelden voor mensen als voor elk ander natuurwezen. Vormt echter de mens geen uitzondering in de natuur, dan moet ook de ontwikkelingsleer op hem toegepast worden, waardoor zonneklaar wordt, wat anders troebel en dof, en een voorwerp van wetenschappelijke mystiek of mystieke wetenschap voor ons blijft.

Enkele stellen de bewering, bv. Dr. L. Büchner, dat de hersenverschillen der beide seksen bij verschillende beschaafde volkeren onderling verscheiden zijn. Zij zouden dan bij Duitsers en Hollanders het grootst zijn, dan zouden de Engelse, Italianen, Zweden en Fransen volgen. Bij de laatste zouden de beide geslachten met betrekking tot de grootte der hersenen elkaar het naaste staan. Of daarmee nu is uitgemaakt dat bij de Fransen de vrouwen meer ontwikkeld zijn en daarom de mannen nader staan, of omgekeerd, de mannen minder ontwikkeld zijn en daardoor de grotere gelijkheid wordt veroorzaakt - want beide gevallen zouden mogelijk zijn - daarover doet Büchner geen uitspraak. Men mag volgens de stand der beschaving in Frankrijk wel het eerste aannemen.

Inderdaad heeft dan ook de hersenvorming zich ontwikkeld in overeenstemming met de opvoeding - als deze benaming ten minste voor een groot deel van het verleden veroorloofd en de uitdrukking ‘grootbrengen’ niet beter is. Alle fysiologen zijn het er over eens dat de eigenlijke vorming van het verstand geschiedt in de voorste delen van de hersenen - boven de ogen - aldus onmiddellijk achter de voorste hersenwand liggende. De hersendelen die in het bijzonder dienen voor het gevoels en gemoedsleven (zoals wij het noemen) moeten in het midden van het hoofd gezocht worden.

Het verschil in de hoofd-vorming tussen man en vrouw komt hiermee overeen; bij de man is het voorste gedeelte van ‘t hoofd, bij de vrouw het midden meer ontwikkeld. Dit laatste wordt ook door Manouvrier beweerd.

En volgens deze vorming, die het gevolg is van de onderworpenheid en heersersverhouding, heeft dan ook het schoonheidsbegrip voor man en vrouw zich ontwikkeld. Volgens het Griekse schoonheidsbegrip, dat nu nog toonaangevend is, moet de vrouw een smal, bijna laag voorhoofd, de man een hoog en breed voorhoofd hebben. En onze vrouwen is dit schoonheidsbegrip, dat haar geringschatting zo duidelijk aantoont, dermate ingeprent dat zij het bezit van een hoog voorhoofd; hetwelk zich boven de gemiddelde maat verheft, als een teken van lelijkheid ziet, en de natuur kunstmatig tracht te verbeteren, door namelijk de haren over het voorhoofd te kammen, om het lager te doen lijken.

Na dit alles is het dus niet vreemd, dat de vrouwen in verstandelijk opzicht zijn, wat zij zijn. Zeker heeft Darwin gelijk, wanneer hij beweert dat een lijst van de uitstekendste mannen op het gebied van poëzie, schilderkunst, beeldhouwkunst, muziek, wetenschap en wijsbegeerte, naast een lijst van de uitstekendste vrouwen, niet met elkaar vergeleken kunnen worden. Maar moet men zich daarover verwonderen? Het ware te verwonderen wanneer dit niet zo was. Daarom antwoordt Dr. Dodel-Port dan ook volkomen juist dat dit gans anders zou zijn wanneer de vrouwen, een aantal generaties lang, opgevoed werden in dezelfde omstandigheden als de mannen en in de uitoefening van genoemde kunsten en vaardigheden werden onderwezen. De vrouw is gemiddeld ook zwakker dan de man, wat bij vele wilde volkeren eveneens niet het geval is, ja, zich dikwijls juist omgekeerd vertoont. Wat echter oefening en opvoeding hierin van jong af veranderen kan, zien wij aan circusdames en kunstenmaaksters, die aan moed, waaghalzerij, behendigheid en lichaamskracht de vergelijking met elke man kunnen doorstaan en dikwijls wonderlijke dingen kunnen uitvoeren.

Dat dit alles dus een zaak van levensvoorwaarden en opvoeding, natuurwetenschappelijk rondweg uitgedrukt een zaak van ‘teelt’ is en de toepassing der natuurwetten in het bijzonder bij onze huisdieren tot verrassende uitkomsten leidt, zo is het in het geheel niet aan twijfel onderhevig, dat de toepassing van deze wetten op het lichamelijk en verstandelijk leven van de mens tot nog geheel andere uitkomsten voert, daar de mens als voorwerp van opvoeding, met bewustzijn van het oogpunt en einddoel, eigenmachtig meewerkt.

Men ziet uit al deze uiteenzettingen in hoe een nauw en innig verband de moderne natuurwetenschappen tot ons gehele maatschappelijk leven en zijn ontwikkeling staan. Dus de natuurwetten, toegepast op de menselijke maatschappij, moeten ons over toestanden in ons midden verklaringen geven, die zonder deze wetten niet geheel te verkrijgen zouden zijn.

Wanneer wij door toepassing van de natuurwetten op de ontwikkeling van de mensheid tot de grondoorzaken doordringen, dan vinden wij dat de heersers positie, karakter en lichamelijke eigenschappen bij enkelen zowel als bij klassen en hele volkeren, allereerst afhangen van de stoffelijke levensvoorwaarden, dus van de maatschappelijke en economische machtsverhoudingen [88], die weer de invloed ondervinden van de gesteldheid van de grond, bodemvruchtbaarheid en het klimaat.

Wanneer dus erkend is dat slechte de ongunstige levensvoorwaarden van de mensen - dus gebreken in de maatschappelijke toestand - de oorzaken zijn van gebrekkige lichamelijke ontwikkeling, dan volgt daaruit dat verbetering van de levensvoorwaarden de mensen eveneens verbeteren zal. De gevolgtrekking daaruit luidt weer: de stelselmatige toepassing van de natuurwetten, die bekend zijn geworden onder de naam van darwinisme, schept andere mensen, bevordert in overeenstemming daarmee ook andere maatschappelijke toestanden en voert zo volgens de leer van Marx naar het socialisme. Daartegen helpt verzet noch tegenkanting - ‘en gaat gij niet vrij willig, dan gebruik ik geweld’ - het geweld van het verstand wel te verstaan.

De darwinistische wet van de strijd om het bestaan, dat in de natuur een beter georganiseerd en sterker wezen het lagere verdringt en vernietigt, vindt in de mensenwereld ten slotte hierin haar oplossing, dat de mensen als denkende en zelfbewuste wezens hun levensvoorwaarden, dat is: hun maatschappelijke toestanden en al wat daarmee samenhangt, voortdurend wijzigen, veranderen, verbeteren en vervolmaken, zodat ten laatste gelijke gunstige levensvoorwaarden voor alle mensen voorhanden zijn. De mensheid schept zich langzamerhand wetten, inrichtingen, die ieder individu veroorloven zijn aanleg en zijn vermogens te ontwikkelen tot zijn eigen welzijn en dat van de hele maatschappij - hem echter de macht ontnemen anderen of de maatschappij te benadelen, daar dit dadelijk merkbaar zijn eigen nadeel zou ten gevolge hebben. Deze toestand werkt ten laatste zo op zijn verstand en inzicht, dat de gedachte aan heerschappij over anderen in ‘t geheel geen plaats meer in zijn geest vindt.

Het darwinisme is zo evenals iedere echte wetenschap een uitstekende democratische wetenschap [89] en als zijn eigen vertegenwoordigers dat niet erkennen willen, of zelfs het tegendeel beweren, dan kunnen zij de draagwijdte van hun eigen wetenschap niet schatten, wat overigens niets nieuws is. De tegenstanders, en in het bijzonder de eerwaardige geestelijkheid, die steeds een fijne neus heeft, waar het haar aards voor of nadeel betreft, hebben dat beter begrepen en zij denonceren (brandmerken ) dien ten gevolgen het darwinisme als socialistisch en atheïstisch. En prof. Virchow stemt hierin met zijn tegenstanders overeen, toen hij in 1877 in de vergadering van natuuronderzoekers prof: Haeckel toebeet: ‘De darwinistische theorie voert tot socialisme’ natuurlijk om de leer in diskrediet te brengen, omdat Haeckel de opname van de ontwikkelingsleer in het schoolplan verlangde.

Wanneer de darwinistische theorieën tot socialisme voeren, zoals Virchow beweert, dan bewijst dit niets tegen de theorieën, maar wel voor het socialisme. De echte wetenschap behoeft er echter niet naar te vragen of haar gevolgen tot deze of die maatschappelijke toestand voeren. Zij heeft slechts te onderzoeken of de theorieën juist zijn, en als dat zo is, dan moeten zij met al haar gevolgen worden aanvaard.

Wie anders handelt uit persoonlijk voordeel, wegens gunsten, uit klasse of partijbelang, die handelt verachtelijk en doet de wetenschap schande aan.

De wetenschap, die als gilde is ingericht zoals dit in het bijzonder aan onze (de Duitse) universiteiten het geval is, kan in elk geval slechts in de zeldzaamste gevallen aanspraak maken op zelfstandigheid en karakter. De vrees hun inkomsten te verliezen, aan gunsten gebrek te krijgen, afstand te moeten doen van titels, orden of bevordering, brengt de meeste vertegenwoordigers van de wetenschap er toe, zich te verhullen, hun overtuigingen te verbergen of zelfs in het openbaar het tegendeel te betuigen van wat zij innerlijk weten en geloven. Als een Dubois-Reymond in 1870 bij gelegenheid van een huldigingsfeest aan de Berlijnse universiteit uitroept: “De universiteiten zijn de opvoedingsplaatsen voor de geestelijke lijfwacht der Hohenzollerns”, dan kan men daarnaar beoordelen hoe het gros van de overigen over het doel van de wetenschap denkt, daar deze in kennis en betekenis ver beneden Dubois-Reymond, staan [90]. De wetenschap wordt verlaagd tot dienares van het geweld.

Het is dus ook zeer verklaarbaar dat prof. Haeckel en zijn aanhang zoals prof. Schmidt, heer von Hellwald en anderen, zich met kracht verweren tegen het verschrikkelijk verwijt dat het darwinisme het socialisme in de hand werkt en hunnerzijds beweren dat het darwinisme integendeel aristocratisch is, daar het leert dat overal in de natuur het beter georganiseerde en sterkere wezen het lagere verdringt. Daar nu in de mensheid de bezittende en beschaafde klassen die beter georganiseerde wezens vormen, zo is hun heerschappij gerechtvaardigd, omdat zij met de wetten van de natuur overeenstemt.

Het valse van de gevolgtrekking ligt, naar het reeds uiteengezette, voor de hand. Aangenomen dat het de overtuiging van die heren is, dan passen zij hun eigen leer slechts ruw en werktuiglijk toe op de mensheid. Omdat in de natuur de strijd om het bestaan door dieren en organismen zonder kennis van de wetten, onbewust, gestreden wordt, moet dit daarom ook zo door de mensheid gedaan worden?

Gelukkig echter, komt de mensheid, met of zonder de wil van deze heren geleerden, tot de erkenning van de wetten, volgens welke haar ontwikkeling plaats heeft en zij heeft slechts nodig deze kennis op haar politieke, maatschappelijke en godsdienstige instellingen toe te passen om deze te hervormen. Het onderscheid tussen mensen en dieren is dus, dat de mens wel een denkend dier, maar het dier geen denkend mens is. Dat hebben de heren darwinisten in hun geleerdheid over het hoofd gezien. Daardoor beschrijven zij zulk een valse cirkel.

Natuurlijk bestrijden prof. Haeckel en zijn volgelingen ook, dat het darwinisme tot atheïsme leidt, en doen zij, nadat zij zelf door allerlei betogen en bewijzen de ‘schepper’ hebben opzij gezet, de krampachtigste pogingen, hem door een achterdeur weer naar binnen te smokkelen. Men vormt zodoende een ‘godsdienst’ op eigen hand, die men ‘hogere zedelijkheid’, ‘zedelijke beginselen’, enz., noemt. Prof. Haeckel beproefde zelfs in 1882 te Eisenach op een vergadering van natuurkundigen, in het bijzijn van de groothertogelijke familie van Weimar, niet slechts de godsdienst te redden maar zijn leermeester Darwin als een godsdienstig man voor te stellen.

Deze poging leed jammerlijk schipbreuk, zoals ieder kan bevestigen die de voordracht benevens de aangehaalde brief gelezen heeft. De brief van Darwin zei juist het tegendeel van wat hij volgens prof. Haeckel bedoelen zou, wel zeer voorzichtig, daar Darwin, die ook de ‘vroomheid’ van zijn landslieden in het oog hield, het nooit zou wagen openlijk zijn ware mening over de godsdienst te zeggen.

Onder vier ogen had hij het echter tegen Dr. Büchner gedaan, zoals kort na het congres van Weimar bekend werd, en hem verzekerd dat hij sedert zijn 40e levensjaar - dus sedert 1849 - niets meer geloofde, omdat hij geen bewijzen voor het geloof had kunnen verkrijgen. Ook ondersteunde Darwin in de laatste jaren een atheïstisch blad dat te New York verscheen.

Wat de moderne natuurwetenschap aangaat, en haar invloed op de ontwikkeling van de mensheid en de bewuste loochening of onbewuste draagwijdte van de kant van haar voornaamste vertegenwoordigers, zij dit genoeg.

Met prof. Virchow valt ook Dr. Dühring op, die Darwin en het darwinisme, en dat op een echt woeste manier, bestrijdt. Om dit mogelijk te maken schetst hij een darwinisme dat niet bestaat en bestrijdt het met wapenen, die hij voor een gedeelte zelf weer aan het darwinisme ontleend heeft. Dit zijn dwarshoofdigheden waarmee niet te redeneren valt.

Om op ons eigenlijk onderwerp terug te komen, zij hier nog vermeld, wanneer de natuurwetenschap en de hierop gebaseerde kunstmatige aanfokking met volkomen bewustheid nieuwe vormen en soorten in de dieren en plantenwereld aankweken kan - een aanfokking, die bij huisdieren zover gaat dat men de kop van een zeker soort van runderen verkort om het gewicht aan vlees op de overige lichaamsdelen te vermeerderen, de beenderen van de zwijnen om dezelfde redenen korter laat worden, en dergelijke bijna ongelooflijke veranderingen, door toepassing van de bekende ontwikkelingswetten, tot stand brengt - dat dan, wanneer de ontwikkelingswetten bij de opvoeding van de mens worden toegepast, deze ten laatste zullen leiden tot de aankweking van bepaalde lichamelijke en geestelijke eigenschappen, tot de harmonische ontwikkeling van individuen.

_________

De vrouwen willen nu, uit kracht van de in haar levende natuurdrang tot volmaking, de wedstrijd met de mannen ook op verstandelijk gebied aangaan en willen niet wachten tot het de mannen belieft, haar hersenfuncties te ontwikkelen. De tijdgeest, deze geheime maar grondig werkende natuurkracht, het wezen van alle materiële en verstandelijke stromen in de mensheid, komt haar daarin tegemoet. Hier en daar hebben zij reeds samen met de mannen alle hindernissen uit de weg geruimd en zich in het strijdperk van het verstand begeven, en in sommige landen geschied dit met buitengewoon succes Deze landen zijn voornamelijk Noord-Amerika en Rusland, twee landen die in hun staatkundige organisatie en in vele opzichten ook in hun maatschappelijke organisatie tot de uitersten behoren. Zo zijn er in Amerika en in Rusland nu talrijke vrouwelijke artsen, waaronder er velen zijn die buitengewone naam gemaakt hebben en een omvangrijke praktijk bezitten [91]. Het lijdt geen twijfel of de vrouw, welke men vrijwillig roemt voor haar grote geschiktheid tot ziekenverpleegster, ook zeer geschikt is voor het beroep van dokter. Bovendien zouden vrouwelijke artsen voor onze vrouwen een grote weldaad zijn, want de omstandigheid dat het mannen zijn, aan welke zij zich bij ziektegevallen en in haar zo verschillende lichamelijke storingen, die met haar geslacht samenhangen, moeten toevertrouwen, verhindert ze dikwijls op de gepaste tijd geneeskundige hulp in te roepen. Daaruit ontstaan een menigte onaangenaamheden zowel voor de vrouwen als voor de mannen. Er is geen arts, die niet te klagen heeft over deze, dikwijls misdadige terughouding van de vrouwen en over haar afkeer om vrijuit mee te delen wat haar scheelt. Het is een natuurlijk zaak, het is alleen onverstandig dat de mannen en in het bijzonder de artsen, niet willen inzien hoezeer de vrouw gerechtigd is tot de studie van de geneeskunde.

De studie van de geneeskunde door de vrouwen zou ook hierom nuttig zijn omdat er, ten minste op het land, gebrek is aan dokters en de jeugd van onze bourgeoisie, die alle ernstige inspanning zoveel mogelijk schuwt, zich niet bijzonder op dit beroep toelegt. Over het algemeen ziet het er met de ijver en leergierigheid van deze jeugd tamelijk slecht uit men lette slechts op de jaarlijkse examens voor éénjarige vrijwilligers - en de vrouwelijke concurrentie zou zeer heilzaam werken.

Ook in deze richting leveren de Verenigde Staten goede voorbeelden. Daar bestaan op vele plaatsen tot ontzetting van onze geleerde en ongeleerde pruiken van beiderlei geslacht, hogescholen waaraan studenten van beiderlei kunne in groot aantal worden gevormd. Horen wij het gevolg.

White, president van de universiteit te Michigan, verklaart:

“De beste leerling in het Grieks onder 1.300 studenten, is sedert enige jaren een jongedame, de beste leerling in de mathematica in een van de beste klassen van onze school is eveneens een meisje, en meer dan een onder de beste leerlingen in natuur- en algemene wetenschappen zijn ook meisjes”.

Dr. Fairshild, de president van het Oberlin College in Ohio, waarin meer dan 1.000 studenten van beide geslachten gezamenlijk onderwezen worden, zegt:

“Gedurende mijne achtjarige werkzaamheid als professor in de oude talen — Latijn, Grieks, Hebreeuws - en in de ethische en filosofische studies, en gedurende mijn elfjarige werkzaamheid in de theoretische en toegepaste wiskunde, heb ik geen ander verschil tussen de beide geslachten opgemerkt als de wijze van voordragen”.

Eduard H. Machill, president van het Swartmore-College, in Delaware County Pa., de vervaardiger van het geschrift, waaruit bovenstaande gegevens zijn gehaald [92] zegt, dat hij na vierjarige ondervinding tot de gevolgtrekking gekomen is, dat in zedelijk opzicht de gemeenschappelijke opvoeding van de beide seksen de beste resultaten heeft opgeleverd. Dit in het voorbijgaan voor hen, die door een gemeenschappelijke opvoeding de ‘zedelijkheid’ bedreigd zien. Er zullen in Duitsland nog heel wat pruiken afgesneden moeten worden, eer het verstand zich baan breekt.

In de Verenigde Staten hebben de vrouwen in het algemeen gelegenheid in de meest verschillende richtingen uit te blinken, namelijk ook als uitvinder.

Zo maakten Noord-Amerikaanse dagbladen in 1884 een lijst van vrouwelijke uitvinders openbaar, die geenszins als voltallig beschouwd kan worden, waarnaar de volgende zaken door vrouwen uitgevonden of verbeterd zijn geworden een verbeterde spinmachine, een om zijn eigen as wentelende weefstoel (rotary loom), die driemaal zoveel verricht als een gewone, een ketting-elevator, een spil voor een schroefstoomboot, een reddingstoestel bij brandgevaar, een toestel bij het reinigen van wol in gebruik, een van de gevoeligste machines welke ooit zijn uitgevonden, en van onschatbare waarde is voor de wol industrie, een draagbaar waterreservoir voor het blussen van kleine branden, een middel tot het gebruiken van petroleum in plaats van hout en kolen als brandstof bij stoommachines, een verbeterde vonk-opvanger bij locomotieven, een stelsel van wagonverwarming zonder vuur, een vilten olieplaat tot vermindering van de wrijving (bij spoorwegen), een schrijfmachine, een signaalvuurpijl voor de marine, enz., enz.

Vele verbeteringen der naaimachines zijn vooral door vrouwen gevonden.

Mevrouw Mather heeft een telescoop (verrekijker) uitgevonden, die door haar dochter verbeterd is, en die van het hoogste belang is, omdat het met deze telescoop mogelijk is om de kielen van de grootste schepen te onderzoeken die in het water blijven liggen. Met behulp van deze telescoop kan men van boord van een schip af, gezonken wrakken gadeslaan, hindernissen voor de scheepvaart en torpedo’s opsporen, enz. Behalve deze praktische voordelen kan men van deze watertelescoop nog belangrijke resultaten voor de wetenschap verwachten.

Tot de machines welke wegens hun buitengewone samengesteldheid en generale constructie, in Amerika zowel als in Europa opzien wekken, is ook een voor de fabricatie van papierenzakken te rekenen. Vele mannen, en daaronder uitmuntende werktuigkundigen, hebben tot nu getracht zo’n machine te vervaardigen. Een vrouw, mej. Maggie Knigt, slaagde er eindelijk in. En daarna heeft die zelfde vrouw weer een machine uitgevonden voor het vouwen van papierenzakken, die de arbeid van dertig mensen verricht.

De Duitse vrouwen hebben tot hiertoe niets dergelijks tot stand gebracht. Waarom? Omdat men ze zoveel mogelijk onmondig poogt te houden.

Nog altijd wordt opgeworpen dat het ongepast is vrouwen in de geneeskundige gehoorzalen, operatie- en geboortekamers naast mannelijke studenten toe te laten. Als de mannen er geen aanstoot in vinden bij zieke vrouwen, bij de aanwezigheid van verpleegsters en andere vrouwen, hun studies en onderzoekingen te verrichten, dan bestaat er ook in het geheel geen grond voor dat dit voor vrouwelijke studenten niet passen zou. En de leraar kan zeer veel doen door de wijze waarop hij leert, en zijn invloed uitoefenen op de houding van zijn vrouwelijke en mannelijke toehoorders. Ook zijn de vrouwen, die onder de tegenwoordige omstandigheden zich aan zulk een studie wijden, door een ernst en vaste wil bezield, waardoor zij de meeste van de mannelijke studenten overtreffen.

Professoren die mannelijke en vrouwelijke studenten tezamen onderrichten, bevestigen dit. De ijver van de vrouwelijke studenten is gemiddeld groter dan die van de mannen. Ten laatste zouden ook de eenmaal gevormde vrouwelijke artsen - wanneer men dan toch de onnatuurlijke scheiding van de geslachten bij de natuurlijke zaken voor nodig hield - de vorming van haar seksegenoten kunnen overnemen.

In werkelijkheid brengen heel andere oorzaken de meeste professoren in de geneeskunde, en over het algemeen de leraars van de universiteiten, er toe de vrouwelijke studenten vijandelijk tegemoet te treden Zij zien er een ‘verlaging’ van de wetenschap in, die aan aanzien kan verliezen in de ogen van de bekrompen menigte, wanneer het blijkt dat ook vrouwelijke hersenen een wetenschap kunnen bevatten, die tot nu toe slechts voor een keur uit het mannelijke geslacht ontsloten was.

Onze universiteiten bevinden zich evenals al onze opvoedingsinririchtingen, trots al de frasen die het tegendeel beweren, in een gebrekkige toestand. Zoals in de volksschool het kind de kostbaarste tijd ontroofd wordt om zijn hersenen te vullen met dingen die met verstand noch wetenschappelijke kennis iets te maken hebben, zoals het bezwaard wordt met een ballast die het in zijn leven niet gebruiken kan, die het veel meer in zijn vooruitgang en ontwikkeling belemmert, zo is het ook op onze hogescholen het geval.

In de inrichtingen welke tot de hogescholen voorbereiden, wordt de scholieren een massa droge en onbruikbare leer en memoreer stof ingestampt, die hun tijd en hun kostbare geesteskrachten in beslag neemt, en op de universiteit wordt meestal in dezelfde richting doorgewerkt. Men leert de studenten veel dat verouderd, afgezaagd en overbodig is, naast betrekkelijk weinig goeds. De eenmaal geschreven dictaten worden door de meeste professoren achter elkaar, met de er tussen door gestrooide geestigheden incluis, jarenlang steeds opnieuw afgedreund. De professorale betrekking wordt bij velen een zeer gewoon handwerk, en voor de studenten eist het niet de minste scherpzinnigheid dit op te merken. Ook zorgen de overgeleverde begrippen van het academische leven er voor dat zij de studiejaren niet ernstig opvatten en menigeen, die dit wel doen wil, wordt door de pedanten en ongenietbare leertrant van de meeste professoren afgeschrikt. Komt eenmaal de examentijd, dan wordt in een paar maanden snel en werktuiglijk datgene ingestampt wat volkomen onmisbaar schijnt, om zo eventjes te slagen.

Wanneer dan het examen gelukkig voorbij is, en een ambtelijke positie of een beroepsplaats verkregen is, dan werken de meeste van deze ‘gestudeerden’ verder volkomen werktuiglijk voort, en vatten hun betrekking als een handwerk op, terwijl zij het echter zeer kwalijk nemen wanneer een niet gestudeerde hen niet met de grootste hoogachting tegemoet komt en ze als een ander, edeler mensenras aanziet en behandelt. Slechts de werkzame mens ontdekt later hoeveel onnut hij geleerd heeft en juist dat niet heeft geleerd, wat hij ‘t hoogste nodig had, en nu eerst aanvangt werkelijk te leren. Gedurende het beste deel van zijn leven heeft men hem gekweld met vele nutteloze en schadelijke zaken; hij heeft dus een ander deel van zijn leven nodig om zich van het nutteloze en schadelijke te ontdoen, en zich tot de hoogte van de dan geldende wereldbeschouwing op te werken, en nu eerst kan hij werkelijk een nuttig lid van de maatschappij worden. Velen komen niet over dat eerste stadium heen, anderen blijven in het tweede steken, en slechts weinigen hebben de energie om zich tot het derde te vormen.

Maar het ‘decorum’ (het fatsoen) vordert, dat de middeleeuwse rommel en de nutteloze leerstof behouden blijven, en daar de vrouwen door hun geslacht, van het begin af aan, uitgesloten zijn van de voorbereidende scholen, zo vormt deze omstandigheid een geschikt voorwendsel haar ook de deuren van de gehoorzalen te sluiten. In Leipzig legde een van de beroemdste professoren in de geneeskunde tegenover een dame de verklaring af, dat de gymnasiale opleiding weliswaar niet volstrekt nodig was tot een juist verstand van de geneeskunde, maar men moest haar tot voorwaarde van toelating maken, opdat het aanzien van de wetenschap niet zou lijden.

Langzamerhand breekt in Duitsland de oppositie door tegen de noodzakelijkheid van een klassieke vorming voor de studie van de medicijnen. De ongehoorde voortgang in de natuurwetenschappen maken een vroegtijdige studie daarvan noodzakelijk, de instandhouding van de gymnasiale opvoeding met haar bevoorrechting van de klassieke talen, Grieks en Latijn, verhindert dit echter zeer, en zo komt het dat de belanghebbende studenten op de universiteit komen zonder de nodige natuurwetenschappelijke voorkennis te bezitten die voor sommige studievakken, zoals bv. de medicijnen van beslissende invloed is. Tegen deze eenzijdige ontwikkeling verheft zich eindelijk zelfs een oppositie in de kringen van de leraren, zoals een verklaring bewijst die ongeveer 400 professoren aan de Duitse hogescholen in de herfst van 1890 openbaar maakten. In het buitenland, bv. Zwitserland, heeft men reeds lang op de studie van de natuurwetenschappen het grootste gewicht gelegd, en iedereen, ook zonder de zogenaamde klassieke vorming, tot de studie van de medicijnen toegelaten die een voldoende voorkennis van de natuurwetenschappen en de mathematica bezat. In dezelfde geest handelt men in Rusland en in de Verenigde Staten.

Prof. Bischoff in München gaf onder andere als reden op waarom hij de vrouwen de studie van de geneeskunde niet zou aanbevelen: de ruwheid der studenten, zijn; ‘t geen zeer kenschetsend is. Dezelfde professor geeft ook weer op een andere plaats in zijn geschrift over dit onderwerp, de volgende karakteristieke mededeling: “Waarom zou men (als professor namelijk) niet nu en dan een interessante, verstandige en ook lieve vrouw veroorloven een voorlezing over de een of andere natuurlijke wetenschap bij te wonen?” Een mening die de heer Sybel blijkbaar met hem deelt, en op deze wijze uitdrukt: “enkele mannen zijn zelden in staat geweest, een leergierige, niet onaardige vrouwelijke leerling hun steun en hulp te onthouden”.

Het ware jammer van elk woord dat men tot weerlegging van zulke ‘gronden’ en meningen nog gebruiken zou. De tijd zal komen dat men zich noch om de ruwheid van de ‘beschaafden’, noch om de pruikengeest of zinnelijke lust van de geleerden bekommeren zal, maar doen zal wat verstand en recht gebieden.

Zoals al opgemerkt zijn de vooroordelen waaraan Europa, en Duitsland in het bijzonder, lijden, veel minder in Amerika. Daar hebben vele vrouwen als artsen, advocaten, leraressen, en dat wel in de hoogste onderwijsinrichtingen – zoals dan ook in Amerika de vrouwen in het onderwijs de meerderheid van de leerkrachten vormen – verder als beambten in de meest verschillende gemeentelijke en staatsbetrekkingen, een geëerde positie verkregen.

In de Verenigde Staten bedraagt het aantal der vrouwelijke artsen ruim 2.000, daaronder zijn ongeveer 100 professoren. In de staat Iowa waren er voor weinige jaren reeds 125 vrouwelijke artsen en 5 vrouwelijke advocaten. In het geheel bedraagt het aantal van de vrouwelijke studenten in de Noord-Amerikaanse hogescholen ruim 18.000.

Behalve in de Verenigde Staten is aan vrouwen de studie in Engeland, Frankrijk, Italië, Spanje, Zweden en Noorwegen toegestaan. Bijzondere hogescholen voor de studie van de medicijnen, ten behoeve van vrouwelijke artsen, bestaan er in Londen, New York en Philadelphia. Ook in Rusland huldigt men ten opzichte van de vrouw veel vrijere en hogere beschouwingen dan in Duitsland. Vele Russische vrouwen hebben zich met het beste gevolg aan de studie van de verschillende wetenschappen gewijd. In Rusland gaf, na langdurige aandrang de keizer, in 1872 verlof tot oprichting van een vrouwenfaculteit voor de medicijnen. De lessen van deze cursus werden in 1872-1882 door 959 vrouwelijke studenten bezocht. Tot het jaar 1882 hadden 281, tot de aanvang van 1884, 350 vrouwen alle colleges van de medicijnen doorlopen, waarvan ongeveer 100 uit Sint-Petersburg kwamen.

Van de studentes, die tot 1882 de faculteiten bezochten, waren 71 (9.0 %) gehuwd, en 13 (1.6 %) weduwen, van de overige huwden tijdens hun studies 116 (15.9 %). De meeste studentes, 214, sproten voort uit de adel en bevoorrechte ambtenaarsstand, 107 uit de militaire, 59 uit de priesterstand, enz., 54 uit de volksklassen. Van de 281 vrouwelijke artsen, die tot 1882 hun studies voleindigd hadden, vonden o.a. 54 in de klinieken een aanstelling, 12 werden assistenten aan hogescholen, 46 werden praktiserende artsen.

Vermeld dient te worden dat van studerende vrouwen ruim 52% noch Grieks, noch Latijn hadden gestudeerd, en toch deden zij hetzelfde als de mannen. En des niettegenstaande was men in regeringskringen in Rusland de studie van de vrouwen niet zeer genegen, tot dat de grote verdiensten, die zich de vrouwelijke artsen op het oorlogsveld in Turkije, tijdens de Turks-Russische veldtocht 1877-1878, verworven hadden, het ijs brak.

De studie van de vrouwen is sedert 1880 in Rusland zeer belangrijk toegenomen, duizenden vrouwen en meisjes wijdden zich aan de studie van de verschillende leervakken. Hierin echter, en in het feit dat daardoor vrijere denkbeelden door braken, die het despotisme gevaarlijk bedreigden, nadat men vooraf reeds de studerende vrouwen het leven zo ondragelijk mogelijk had zoeken te maken, gaf de keizer opdracht, bij oekaze van 1 mei 1885, deze lessen zo goed als te onderdrukken. [93]

In Zwitserland heeft de studie der vrouwen in de loop van de laatste twintig jaren eveneens aanmerkelijk veld gewonnen, en zijn het vooral de universiteiten van Bern en Zürich waar veel vrouwen studeren. Bazel heeft tot nog toe geweigerd vrouwen aan de universiteit toe te laten. Geneve wordt slechts zwak door vrouwen bezocht. In het winter halfjaar van 1885-86 studeerden in Zürich 48 vrouwen en daaronder waren 16 Zwitserse. Van de studerenden bezocht 1 de rechtsfaculteit, 28 bezochten de geneeskundige faculteit en 19 die van de filosofie. In dezelfde tijd studeerden in Bern 57 vrouwen, waarbij 13 uit Zwitserland kwamen, 42 studeerden medicijnen en 15 filosofie. De buitenlandse vrouwen kwamen vooral uit Rusland, maar ook Duitsland levert een steeds groter wordend aantal.

In het voorjaar van 1878 onderging een Russische studente te Bern, mej. Litounow, het examen in de mathematica met zo een schitterende uitslag, dat de filosofische faculteit haar éénstemmig met de hoogste aantekening het doktersdiploma uitreikte. Een dergelijk geval geschiedde enige maanden later met een Oostenrijkse dame, mej. Welt, van de zijde van de geneeskundige faculteit aan de universiteit te Bern, en aan het einde van 1887 schonk de academie van wetenschappen te Parijs aan mevrouw Kowalewsky de eerste mathematische prijs. Deze dame verkreeg een professoraat in de mathematiek in Stockholm, waar zij in februari van dit jaar gestorven is. (Naar een korte waarderende biografie in de Vorwärts, centraal orgaan van de Duitse sociaaldemocratie, was Sophia Kowalewsky een warme aanhangster van het socialisme. NvdV) En sedert die tijd zijn er vele dergelijke gevallen voorgekomen. Ook in Berlijn is eindelijk het ijs gebroken. Berlijn telde in de lente van 1883 vijf vrouwelijke artsen, die te samen een zeer uitgebreide praktijk bezaten. De Duitse geleerdheidspruik wordt daarover bedenkelijk geschud.

In Duitsland heeft de staat de vrouw in de enkele gevallen, dat hij haar aanstelde, beschouwd volgens het echte uitbuiterssysteem, dat in de vrouwen een goedkope arbeidskracht ziet, welke hij bij dezelfde productie veel slechter betaalt dan de man. Daar nu de mannen onder de tegenwoordige omstandigheden reeds uit zichzelf de vrouwenconcurrentie zeer vijandig gezind zijn, en nog veel vijandiger wanneer hun arbeidskracht gevaar loopt door goedkopere te worden verdrongen, is de verhouding voor de vrouwen verre van aangenaam. Daarbij komt nog dat in Duitsland het leger jaarlijks vele uitgediende officieren tot aspiranten-beambten maakt, dat er voor andere arbeidskrachten geen plaats beschikbaar is. Vandaar dat de aangestelde vrouwen meestal weer spoedig op straat gezet worden. Ook dient niet uit het oog verloren te worden dat er, door de overmatige arbeidstijd, die particulieren zowel als de staat van de vrouw eisen, overal ernstige nadelen ontstaan, wanneer er namelijk ook huiselijke plichten te vervullen zijn. De aard van de tegenwoordige huishouding staat dan ook, met de eisen die het leven aan miljoenen van vrouwen stelt, in scherpe tegenstelling, evenals de algemene huishouding van de staat met de mensenwaarde van elk individu.

De vrouwen hebben bewezen en bewijzen met elk jaar meer, dat het haar niet aan geestvermogens ontbreekt, trots alle verwaarlozing daarvan, en dat zij reeds nu in staat zijn op velerlei gebied de strijd op te nemen tegen de mannen. Er zijn zowel flinke schrijfsters als kunstenaressen onder hun, en dat wel van de meest verschillende aard. Eveneens vindt men vertegenwoordigsters van andere ‘hogere beroepen’ onder de vrouwen. Daarmee is tegenover het reactionair geschreeuw bewezen dat men op de duur haar gelijkstelling in rechten niet onthouden kan. Het lijdt echter evenmin twijfel dat daarmee, bij de bestaande maatschappelijke toestanden, voor haar evenmin als voor de man het doel bereikt is. Een sterker binnen dringen van de vrouwen in de hogere beroepen — wat altijd slechts een kleine minderheid mogelijk is — moet ten laatste daar dezelfde werking uitoefenen als op het veld van de industrie. De vrouw wordt ook in de hogere beroepen slechter betaald naarmate haar concurrentie het aanbod doet stijgen. Er is mij toch een geval bekend waarin een vrouw in de plaats van een man tot een hogere leraarsplaats benoemd zou worden, maar met de helft van het salaris.

Dat is een schaamteloze, maar volgens de beginselen die in de burgerlijke wereld thans heersen, volkomen gerechtvaardigde vordering. Zij wordt gesteld en door de dwang van de omstandigheden aangenomen. Er blijft dus geen twijfel over, of met de verovering van het recht om ook de hogere beroepen uit te oefenen, verkrijgt de vrouw niet tevens bevrijding van de maatschappelijke ellende en de man evenmin. Men moet verder gaan.

_______________
[81] De textielindustrie omvat alles wat betrekking heeft op de vervaardiging van geweven stoffen. (NvdV)
[82] Officiële mededelingen uit het jaarlijks rapport van arbeidsinspecteuren. Berlijn 1890.
[83] De ontaarding van arbeiders ontstaan door het moderne fabricatiesysteem heeft bv. de staat in de laatste jaren meermaals gedwongen de minimumlengte voor de militairen te verlagen.
[84] De fabrieksinspecteur A. Redgrave hield eind december 1871 een voordracht te Bradford, waarin hij onder andere zeide: “Wat mij sedert enige tijd getroffen heeft, is het veranderde aanzicht der wolfabrieken. Vroeger waren zij met vrouwen en kinderen gevuld en nu schijnt de machinerie al het werk te doen”. Op aanvraag gaf een fabrikant mij de volgende opheldering: “Onder het oude systeem had ik 63 personen in dienst, na de invoering van de verbeterde industrie bracht ik mijn ‘handen’ terug tot 33, en ten slotte ten gevolge van nieuwe en grootte veranderingen, was ik in staat ze van 33 te verminderen tot 13”. Dus in enkele jaren een vermindering van het aantal arbeiders met bijna 80% in een fabriek, bij minstens gelijke productie. (Voor talrijke belangrijke mededelingen in deze zin, zie men K. Marx: Het Kapitaal.)
[85] Het oereigendom, hfst. 20. Huisgemeenschap.
[86] Bouw en leven van het lichaam der maatschappij. 1ste deel.
[87] Dr. L. Büchner: De vrouw, haar plaats in de natuur en haar bestemming in de maatschappij. Neue Gesellschaft, jrg. 1879 en 1880.
[88] Een ontdekking, die Karl Marx voor het eerst maakte en welke hij klassieke wijze in zijn werken, inzonderheid in Het Kapitaal, gegrondvest heeft. Het Communistisch Manifest van Februari 1848, vervaardigd door K. Marx en Fr. Engels berust op deze beschouwing en kan nu nog beschouwd worden als een voorbeeld van een voortreffelijk agitatiegeschrift.
[89] Het gebouw van de wetenschap is de tempel der democratie, Buckle, Geschiedenis der beschaving in Engeland.
[90] Dubois-Reymond heeft dit gezegde met verwijzing naar de toenmalige aanval, die hij daaromtrent moest verduren, in februari 1883 bij de viering van de geboortedag van Frederik de Grote herhaald.
[91] Vrouwelijke artsen en heelkundigen van grote naam waren er reeds in 9e en 10e eeuw bij de Arabieren, en vooral ook tijdens de Arabische heerschappij in Spanje, waar zij aan de universiteit van Cordova studeerden. De vrouw was destijds in het Mohammedaans-Arabische rijk veel vrijer dan heden in het Oosten, wat aan Mohammed te danken is, die haar sociale positie wezenlijk verbeterd heeft. Maar door Aziatische, Perzische en Turkse invloed is later de positie van de vrouw in het Oosten zeer verminderd. Interessante mededelingen hierover vindt men bv. in Kremer, Kulturgeschichte des Orients. In de 12e eeuw studeerden ook in Bologne en Palermo vrouwen in de medicijnen.
[92] An Adress upon the Co Education of the sexes. Philadelphia. (Verhandeling over de gemeenschappelijke opvoeding van de beide geslachten.).
[93] Neue Zeit 1884, blz. 155. Das Frauenstudium in Russland.