Karl Kautsky
De dictatuur van het proletariaat


5. De dictatuur

Democratie vormt de noodzakelijke grondslag voor de opbouw van een productiewijze. En slechts onder de democratie verkrijgt het proletariaat de nodige rijpheid om het socialisme te kunnen doorvoeren. De democratie tenslotte vormt de betrouwbaarste graadmeter voor zijn rijpheid. Tussen beide stadia, de voorbereiding voor het socialisme en het doorgevoerde socialisme, die beide de democratie nodig hebben, staat echter een derde stadium. Dat van de overgang, waarin het proletariaat de politieke macht veroverd heeft, maar het socialisme economisch nog niet doorgevoerd heeft.

In dit tussenstadium zou de democratie niet alleen niet nodig, maar zelfs schadelijk zijn. Deze opvatting is niet nieuw. Wij hebben haar al leren kennen als de menig van Weitling. Maar de opvatting steunt ook op Karl Marx. In zijn kritiek op het partijprogramma van Gotha, dat hij in 1875 schreef, (afgedrukt in Die Neue Zeit, IX, I, blz. 502 v.v.) zegt hij:

Tussen de kapitalistische en de communistische maatschappij ligt de periode van de revolutionaire omwenteling van de ene in de andere. Deze komt overeen met een politieke overgangsperiode, waarvan de staat geen andere kan zijn als de revolutionaire dictatuur van het proletariaat.

Marx heeft helaas nagelaten uiteen te zetten hoe hij zich deze dictatuur voorstelde. Letterlijk genomen betekent het woord de opheffing van de democratie. Maar zeer letterlijk genomen, betekent het ook de alleenheerschappij van een enkeling, die aan generlei wetten gebonden is. Een alleenheerschappij die zich van een despotisme daardoor onderscheidt dat zij niet als blijvende staatsinrichting, maar als voorbijgaande noodmaatregel is gedacht.

De uitdrukking dictatuur van het proletariaat, dus dictatuur, niet van een enkeling, maar van een klasse, sluit al uit dat Marx hierbij aan een dictatuur in de letterlijke zin van het woord heeft gedacht.

Hij sprak niet van een regeringsvorm, maar van een toestand, die noodzakelijk overal moet intreden waar het proletariaat de politieke macht veroverd heeft. Dat hij geen regeringsvorm op het oog heeft, wordt daardoor bewezen dat hij van mening was dat in Engeland en Amerika de overgang zich vreedzaam, democratisch, zou kunnen voltrekken. Wel verzekert de democratie de vreedzame overgang niet, maar zeker is deze zonder democratie niet mogelijk.

Maar om te weten te komen wat Marx over de dictatuur van het proletariaat dacht, hebben wij het niet nodig raadsels op te lossen. Wanneer Marx in 1875 niet uiteenzette wat hij onder dictatuur van het proletariaat verstond, dan was dat omdat hij zich enkele jaren vroeger, in zijn geschrift over de Burgeroorlog in Frankrijk (1871) over uitgelaten had. Daar verklaarde hij:

De commune was een echte regering van de arbeidersklasse, het resultaat van de strijd van de voortbrengende tegen de zich toe-eigenende klasse, de eindelijk ontdekte politieke vorm, waaronder de economische bevrijding van de arbeid zich voltrekken kon.

De Parijse commune was dus, zoals ook Engels in zijn inleiding bij de derde druk van het Marx’ geschrift uitdrukkelijk vastlegt, de dictatuur van het proletariaat.

Zij was echter niet de opheffing van de democratie, maar berustte op haar uitgebreidste toepassing, op de grondslag van het algemeen kiesrecht. De regeringsmacht zou aan het algemeen kiesrecht onderworpen worden:

De commune werd gevormd uit de door algemeen stemrecht in de verschillende districten van Parijs gekozen stadsraden... Het algemene stemrecht zou het in communes geconstitueerde volk dienen, zoals het individuele stemrecht iedere werkgever ertoe dient arbeider X uit te zoeken, enz. (Blz. 46 en 47).

Steeds weer spreekt Marx van het algemene stemrecht van het gehele volk, niet van het kiesrecht van een bepaalde bevoorrechte klasse. De dictatuur van het proletariaat was voor hem een toestand die bij een overwegend aandeel van het proletariaat in de bevolking, van de zuivere democratie, het noodzakelijke gevolg zou zijn.

Zij die een dictatuur verdedigen in tegenstelling tot democratie, kunnen zich dus niet op Marx beroepen. Natuurlijk is daarmee nog niet bewezen dat zij ongelijk hebben, alleen dat zij naar ander bewijsmateriaal moeten uitzien.

Bij het onderzoeken van deze vraag moet men zich er voor hoeden de dictatuur als toestand met de dictatuur als regeringsvorm te verwisselen. Slechts het streven naar het laatste is een betwiste vraag in onze rijen. Dictatuur als regeringsvorm betekent hetzelfde als een rechtenloze oppositie. Haar wordt het kiesrecht ontnomen, evenals vrijheid van drukpers en van vereniging. De vraag gaat hierom, of het overwinnende proletariaat deze maatregelen nodig heeft. Of met behulp van deze maatregelen het beste, of misschien zelfs alleen, het socialisme te verwezenlijken is.

In de eerste plaats dient dan opgemerkt dat, wanneer wij de dictatuur als regeringsvorm bedoelen, wij niet van de dictatuur van een klasse kunnen spreken. Want een klasse kan, zoals wij al opmerkten, slechts heersen, niet regeren. Wil men onder dictatuur dus niet slechts een toestand van de heerschappij verstaan, maar een bepaalde regeringsvorm, dan mag men slechts van de dictatuur f van een enkeling f van een organisatie spreken, dus niet van het proletariaat, maar van een proletarische partij. De dictatuur van een van deze partijen is dan niet de dictatuur van het proletariaat, maar de dictatuur van een deel van het proletariaat over een ander deel. De situatie wordt nog ingewikkelder wanneer de socialistische partijen gescheiden zijn, wegens hun houding tegenover niet-proletarische groepen. Wanneer bij voorbeeld de ene partij aan het roer komt door een verbond tussen stedelijke proletariërs en boeren. Dan wordt de dictatuur van het proletariaat niet alleen tot een dictatuur van proletariërs over proletariërs, maar ook van proletariërs en boeren over proletariërs. De dictatuur van het proletariaat neemt dan zeer eigenaardige vormen aan.

Door welke oorzaken zal nu de heerschappij van het proletariaat een vorm aannemen die onverenigbaar is met de democratie? Wie zich op het woord van Marx omtrent de dictatuur van het proletariaat beroept, mag niet vergeten dat daarbij niet van een toestand sprake is, die onder bepaalde omstandigheden intreden kan, maar van een die onder alle omstandigheden intreden moet.

Nu mag men in de regel aannemen dat het proletariaat slechts daar tot heerschappij zal komen waar het de meerderheid van de bevolking vormt, of minstens achter zich heeft. Het wapen van het proletariaat in zijn politieke strijd is naast zijn economische onmisbaarheid, zijn aantal. Slechts daar, waar het de massa’s, de meerderheid van de bevolking, achter zich heeft, mag het verwachten over de machtsmiddelen van de heersende klassen te zegevieren. Dat namen ook Marx en Engels aan. Daarom verklaarden zij in het Communistisch Manifest:

Alle bewegingen waren tot nu toe bewegingen van minderheden en in het belang van minderheden. De proletarische beweging is de zelfstandige beweging van de ontzaglijke meerderheid in het belang van de ontzaglijke meerderheid.

Dat gold ook voor de Parijse commune. De eerste daad van het nieuwe revolutionaire bewind was het gebruik van het algemeen kiesrecht. De verkiezing, welke in volledige vrijheid plaats vond, leverde in bijna alle districten van Parijs sterke meerderheden voor de commune. Er werden 65 revolutionairen gekozen, tegen 21 oppositionele, waarvan 15 verklaarde reactionairen en 6 radicale republikeinen van de gambettistische richting. Onder de 65 revolutionairen waren alle toenmalige richtingen van het Franse socialisme vertegenwoordigd. Hoezeer zij elkaar ook bestreden, zij oefenden geen dictatuur tegenover elkaar uit.

Een bewind dat zozeer in de massa’s wortelt, heeft niet de minste reden de democratie aan te tasten. Het zal niet altijd gewelddaden kunnen ontgaan in gevallen waarin gewelddaden gebruikt worden om de democratie te onderdrukken. Geweld kan men slechts door geweld keren. Maar een bewind dat de massa achter zich heeft zal het geweld slechts gebruiken om de democratie te beschermen, en niet om haar op te heffen. Het zou juist zelfmoord plegen wanneer het zijn grondslag ondermijnde, het algemeen stemrecht, een sterke bron van geweldige morele kracht.

De dictatuur als opheffing van de democratie kan dus slechts in uitzonderingen een punt worden. Wanneer door een buitengewoon samenvallen van gunstige omstandigheden een proletarische partij staat in staat is de politieke macht tot zich te trekken, hoewel zij de meerderheid van de bevolking niet voor zich of zelfs uitgesproken tegen zich heeft.

In een volk dat sinds tientallen jaren politiek geschoold is en waarin de partijen een vaste vorm hebben, is een dergelijk toeval vrijwel onmogelijk. De mogelijkheid daarvan wijst al op bepaald achterlijke verhoudingen. Wanneer zich in zulk een geval het algemeen stemrecht tegen de socialistische regering uitspreekt, moet deze dan doen, wat wij tot nu toe van iedere regering verlangd hebben: zich buigen voor de uitspraak van het volk, met de vaste wil, op de grondslag van de democratie, de strijd om de staatsmacht verder te voeren, of moet zij, om zich staande te houden, de democratie overboord werpen?

Waardoor kan een dictatuur tegen de wil van de meerderheid van het volk aan het roer blijven? Twee wegen komen voor haar in aanmerking: die van het jezuïtisme of die van het bonapartisme.

Naar de jezuïetenstaat in Paraguay hebben wij al verwezen. De oorzaak, waardoor de jezuïeten daar hun dictatuur handhaafden, was hun kolossale geestelijke overwicht op de door hen georganiseerde bevolking, welke zonder hun geheel hulpeloos was.

Kan in een Europese staat een socialistische partij een dergelijk overwicht verkrijgen? Dat is uitgesloten. Wel groeit het proletariaat geestelijk in zijn klassenstrijd boven de andere arbeidende klassen, kleinburgerij en boeren, maar niet zonder dat ook deze tegelijkertijd in politieke belangstelling en begrip toenemen. De afstand tussen deze verschillende klassen wordt nooit overweldigend.

Naast de klasse van de handarbeid groeit echter ook een groep intellectuelen, die steeds talrijker wordt, en steeds meer onmisbaar voor het productieproces. Hun beroep bestaat in het verwerven van kennis, in oefening en ontwikkeling van intelligentie.

Deze groep neemt een middenpositie tussen proletariaat en kapitalisten in, zij heeft niet onmiddellijk belang bij het kapitalisme, maar staat wantrouwend tegenover het proletariaat, zolang zij het niet voor rijp houdt het lot zelf ter hand te nemen. Zelfs die leden van de ontwikkelde klassen, die voor de bevrijding van het proletariaat opkomen, zoals de utopische socialisten, staan in het begin van de klassenstrijd afwijzend tegenover de arbeidersbeweging. Dat verandert maar eerst wanneer het proletariaat in zijn strijd toenemende rijpheid toont. Het vertrouwen dat de voor het socialisme opkomende intellectuelen in het proletariaat krijgen, mag niet verward worden met het vertrouwen dat sinds 4 augustus 1914 de liberalen en lieden van het centrum, en zelfs de regering, in Duitsland in de regeringssocialisten stellen. Het vertrouwen van de tweede soort kwam met de overtuiging dat betreffende socialisten het met de bevrijdingsstrijd van het proletariaat niet meer ernstig namen.

Geheel zonder, of zelfs tegen de intellectuelen, kan er geen socialistische productie zijn. Onder verhoudingen waarin de meerderheid van de bevolking tegenover een partij wantrouwend of afwijzend staat, zal dit in het bijzonder bij veel intellectuelen het geval zijn. Daar zal de overwinnende proletarische partij bij de rest van de bevolking, en bij haar tegenstanders, het intellectueel moeilijk hebben. Ook wanneer in sociale zaken de theoretische standpunten beter zijn.

Het voorbeeld van Paraguay is voor Europa dus niet bruikbaar. Dan blijft slechts de andere weg open, die Napoleon I de 18e brumaire 1799 en zijn neef, de derde Napoleon, de 2e december 1852 insloegen: die van het regeren met behulp van een gecentraliseerde organisatie over de ongeorganiseerde volksmassa en het overwicht van militair geweld, die zijn oorsprong vindt in het feit dat de gewapende macht van de regering tegenover een ongewapende staat, of een strijdmoe geworden volksmassa.

Kan op deze grondslag een socialistische productiewijze opgebouwd worden? Deze productiewijze betekent het organiseren van de productie door de maatschappij. Zij heeft het economische zelfbestuur door heel de volksmassa tot voorwaarde. Organiseren van productie door de staatsbureaucratie of door de dictatuur van een enkele groep uit het volk, betekent niet socialisme. Socialisme heeft de organisatorische scholing van brede volksmassa’s nodig. Veronderstelt talrijke vrije organisaties van economische en politieke aard en vereist de grootste vrijheid van organisatie. De socialistische organisatie van de arbeid mag geen kazerne-organisatie zijn.

De dictatuur van een minderheid die het volk de grootst mogelijke vrijheid van organisatie wil toestaan, zou daarmee de eigen macht ondergraven. Zou zij trachten zich staande te houden door onderdrukking van deze vrijheid, dan zou zij de ontwikkeling naar het socialisme belemmeren, in plaats van haar te bevorderen.

Een krachtige steun vindt de dictatuur van een minderheid steeds in een toegewijd leger. Maar hoe meer zij het geweld van wapens in de plaats stelt van een meerderheid, des te meer dwingt zij ook iedere oppositie haar heil te zoeken in het beroep op bajonetten en vuisten, in plaats van het beroep op de stembus. Dan wordt de burgeroorlog de vorm waarin de politieke en sociale tegenstellingen beslecht worden. Waar niet volkomen politieke en sociale onverschilligheid of moedeloosheid heerst, wordt de dictatuur van een minderheid steeds door gewelddadige aanslagen of door een voortdurende guerrilla-oorlog bedreigd, die spoedig tot een langdurige gewapende opstand van grotere massa’s kan aangroeien, en de bestrijding daarvan alle militaire krachten van de dictatuur in beslag neemt. De dictatuur raakt de burgeroorlog dan niet kwijt en staat voortdurend bloot aan het gevaar omvergeworpen te worden.

Voor de opbouw van een socialistische maatschappij bestaat geen grotere belemmering dan een binnenlandse oorlog. In het huidige stadium van uitgestrekte geografische arbeidsverdeling is het industriële grootbedrijf overal zeer afhankelijk van de veiligheid van het verkeer en van de zekerheid van de overeenkomsten. Reeds een buitenlandse oorlog zou de socialistische opbouw belemmeren, zelfs als de vijand niet het land binnendringt. Terecht hebben de Russische socialisten van alle richtingen in de huidige Russische revolutie, op de noodzakelijkheid van vrede voor de maatschappelijke wederopbouw de nadruk gelegd. Nog veel verderfelijker voor het maatschappelijk leven dan een buitenlandse oorlog is een burgeroorlog, en die het land evenzeer verweest en lamlegt als een vijandelijke inval, maar veel verschrikkelijker is.

In de strijd van de staten tegen elkaar gaat het in regel om winst of verlies aan macht van de ene of de andere regering, niet tegelijk om hun gehele bestaan. Na de oorlog echter willen en moeten de verschillende oorlogvoerende regeringen en volkeren in vrede, zij het niet altijd in vriendschap, leven.

Geheel anders staan de partijen in de burgeroorlog tegenover elkaar. Zij voeren dan geen oorlog om de tegenpartij concessies af te dwingen, en daarna in vrede te leven. In de burgeroorlog gaat het er niet toe als in de democratie, waarin de minderheden beschermd worden, zodat iedere partij die in de minderheid geraakt en van de regering moet afzien daarmee niet haar politieke werkzaamheid behoeft te laten, of beperken. En waarin iedere partij die een minderheid wordt het recht behoudt naar een meerderheid te streven en een regering te vormen.

In de burgeroorlog strijdt iedere partij om haar bestaan en wordt de verliezende door vernietiging bedreigd. Dit bewustzijn maakt burgeroorlogen zo snel tot verschrikkingen. In het bijzonder neigt een minderheid, die zich slechts door militaire macht kan staande houden, er spoedig toe de tegenstanders met geweld te onderdrukken en in een wilde hakpartij te vernietigen, wanneer zij door hen met een opstand bedreigd wordt en het haar gelukt deze te bedwingen. De Parijse junidagen van 1848 en de bloedige meiweek van 1871 hebben dat vreselijk en duidelijk bewezen.

Een systeem van voortdurende burgeroorlog, evenals zijn tegenhanger onder de dictatuur, de volkomen onverschilligheid en moedeloosheid van de massa’s, maakt de opbouw van een socialistische productie zo goed als onmogelijk. En dan zou de dictatuur van een minderheid, die de burgeroorlog of de onverschilligheid teweegbrengt als een natuurwet, het soevereine middel zijn om de overgang van kapitalisme naar socialisme te bewerkstelligen!

Menigeen verwart de burgeroorlog met de sociale revolutie, houdt hem voor haar vorm en is geneigd de in de burgeroorlog onvermijdelijke gewelddaden daarmee te verontschuldigen, dat een revolutie zonder geweld nu eenmaal niet mogelijk is. Het is in iedere revolutie zo geweest en zal altijd zo zijn.

Intussen zijn juist wij, sociaaldemocraten, niet de mening toegedaan dat wat altijd zo geweest is, nu ook altijd zo blijven moet. Onze voorstellingen van de revolutie hebben wij ons gevormd naar de voorbeelden van de tot nu toe plaats gevonden burgerlijke revoluties. De proletarische revolutie zal zich onder geheel andere voorwaarden voltrekken.

De burgerlijke revoluties braken uit in staten waarin een despotisme, gesteund op een van het volk gescheiden leger, alle vrije uitingen onderdrukte, waar geen vrijheid van drukpers, van vergadering, van vereniging of algemeen kiesrecht bestond en ware volksvertegenwoordigingen evenmin. Daar nam de strijd tegen de regering noodzakelijkerwijze de vorm van een burgeroorlog aan. Het huidige proletariaat zal, tenminste in West-Europa, tot de politieke macht komen in staten waarin sinds tientallen jaren democratie, zij het niet de reine, dan toch een zekere mate van democratie diep wortel heeft geschoten, en ook het leger niet meer als vroeger geheel gescheiden van het volk leeft. Het blijft af te wachten hoe zich onder deze voorwaarden de verovering van politieke macht door het proletariaat, dat daar de meerderheid van het volk vormt, voltrekken zal. In geen geval hoeven wij aan te nemen dat zich in West-Europa de gebeurtenissen van de Franse Revolutie zullen herhalen. Wanneer het huidige Rusland zoveel overeenkomst met het Frankrijk van 1793 toont, dan bewijst dat slechts hoe dicht het bij het stadium van een burgerlijke revolutie staat.

Men moet onderscheid maken tussen sociale revolutie, politieke revolutie en de burgeroorlog.

De sociale revolutie is een diepgaande omwenteling van het gehele maatschappelijke gebouw, veroorzaakt door de ontwikkeling van een productiewijze. Dat is een langdurig proces dat vele jaren kan duren en waar voor het einde geen scherpe grenzen te trekken vallen. Zij zal beter slagen naarmate de vormen waarin zij zich voltrekt vreedzaam zijn. Binnenlandse zowel als buitenlandse oorlogen zijn doodsvijanden. Ingeleid wordt een sociale revolutie in regel door een politieke revolutie, door een plotselinge verschuiving van de machtsverhoudingen van de klassen in de staat, waardoor een tot nu toe van de politieke macht uitgesloten klasse zich van het regeringsapparaat meester maakt. De politieke revolutie is een plotselinge daad, die zich zeer snel kan voltrekken en tot een einde komen. Haar vormen hangen van de vormen van de staat af, waarin zij zich voltrekt. Hoe meer de democratie heerst, niet alleen formeel, maar in werkelijkheid, in de kracht van de arbeidende massa’s is vastgelegd, des te groter is de waarschijnlijkheid dat de revolutie vreedzaam zal zijn. Hoe minder daarentegen het tot nu toe heersende systeem op de meerderheid van de bevolking steunt, maar een minderheid vormt, die zich door militaire machtsmiddelen staande houdt, des te groter is de waarschijnlijkheid dat de revolutie de vorm van een burgeroorlog aanneemt.

Maar ook in het laatste geval hebben de verdedigers van een sociale revolutie er groot belang bij dat de burgeroorlog slechts een voorbijgaande, zich snel afspelende periode is, dat het een taak blijft tot oproepen voor democratie en haar bevestiging. Zijn resultaten moeten dienen voor de sociale revolutie, welke op een bepaald ogenblik niet verder mag gaan dan de meerderheid van het volk wil. Indien dan verder gegaan werd, zou de sociale revolutie, hoe begerenswaard de onmiddellijke verwerkelijking van haar einddoelen ook moge zijn, niet de nodige voorwaarden aanwezig vinden iets duurzaam te scheppen.

Maar heeft het schrikbewind van de proletariërs en de kleinburgerij van Parijs, dus de dictatuur van een minderheid, in de grote Franse Revolutie niet buitengewone gevolgen van de hoogste historische betekenis gehad? Ongetwijfeld. Doch van welke aard? De bedoelde dictatuur was een product van de oorlog, die de monarchen van Europa tegen het revolutionaire Frankrijk voerden. Deze stormloop schitterend te hebben afgeslagen, dat was de historische daad van het schrikbewind. Zij bewees daarmee weer duidelijk de oude waarheid, dat de dictatuur beter in staat is oorlog te voeren dan de democratie. Zij bewees echter in geen enkel opzicht dat de dictatuur de methode van het proletariaat is om sociale omwentelingen naar zijn opvattingen door te voeren en de politieke macht te veroveren.

In energie valt het schrikbewind van 1793 niet te overtreffen. Niettemin gelukte het de Parijse proletariërs niet, daardoor de macht te behouden. De dictatuur werd een methode, waardoor de verschillende fracties van de proletarische en kleinburgerlijke politiek elkaar bestreden. Tenslotte werd zij de methode om aan elke proletarische en kleinburgerlijke politiek een einde te maken. De dictatuur van de lagere klassen effent de weg voor de dictatuur van de sabel.

Zou men volgens het voorbeeld van de burgerlijke revoluties willen zeggen dat revolutie gelijkluidend is aan een burgeroorlog en dictatuur, dan zou men ook de consequentie moeten trekken en zeggen: de revolutie eindigt noodzakelijkerwijze in de heerschappij van een Cromwell of een Napoleon.

Waar het proletariaat de meerderheid van de natie vormt en deze democratisch georganiseerd is, is dit echter in het geheel niet het noodzakelijke einde van een proletarische revolutie. En slechts daar zijn de voorwaarden voor socialistische productie aanwezig.

Wij kunnen onder de dictatuur van het proletariaat niets anders verstaan dan zijn heerschappij op de grondslag van de democratie.