V.I. Lenin
Wat te doen?


4. Het handwerkersgedoe van de economisten en de organisatie van de revolutionairen

De hierboven door ons geanalyseerde beweringen van de “Rabotsjeje Djelo”, dat de economische strijd het meest breed aanwendbare middel van de politieke agitatie is, dat het thans onze taak is aan de economische strijd zelf een politiek karakter te verlenen, enz., brengen een bekrompen opvatting, niet slechts van onze politieke, maar ook van onze organisatorische opgaven tot uitdrukking. Voor de “economische strijd tegen de ondernemers en de regering” is een algemeen-Russische gecentraliseerde organisatie, die alle mogelijke verschijnselen van de politieke oppositie, het protest en de verbolgenheid tot een gemeenschappelijke aanval verenigt, — een organisatie, die uit beroepsrevolutionairen bestaat en door werkelijke politieke leiders van het gehele volk wordt geleid -, in het geheel niet nodig, en daarom kan zij in zulk een strijd ook niet tot stand worden gebracht. En dit is ook begrijpelijk. Het karakter van de organisatie van elke instelling wordt op natuurlijke en noodzakelijke wijze door de inhoud van de werkzaamheid dezer instelling bepaald.

Daarom sanctioneert en legaliseert de “Rabotsjeje Djelo” door zijn boven geanalyseerde beweringen het enige kader, niet slechts van de politieke actie, maar ook dat van de organisatorische arbeid. En ook in dit geval is zij, — als steeds — een orgaan, welks bewustheid voor de elementaire beweging capituleert. Maar intussen is het buigen voor de elementair ontstaande organisatievormen, het gebrek aan inzicht in het feit, hoe beperkt en primitief ons organisatiewerk is, hoezeer wij nog op dit belangrijk gebied “handwerkers” zijn, dit gebrek aan inzicht, zeg ik, is de ware ziekte van onze beweging. Dit is geen ziekte van het verval, maar een ziekte van de groei, — dat spreekt van zelf. Maar juist nu, nu de golf van de elementaire verbolgenheid ons, de leiders en organisatoren van de beweging, als het ware overstelpt, is de meest onverzoenlijke strijd tegen iedere verdediging van de achterlijkheid, tegen ieder tot wet verheffen van de bekrompenheid op dit gebied bijzonder noodzakelijk; is het bijzonder noodzakelijk, in ieder, die aan de praktische arbeid deelneemt of enkel van plan is, zich daaraan te wijden, ontevredenheid met het bij ons heersende handwerkersgedoe op te wekken en de onbuigzame vastberadenheid, zich daarvan te bevrijden.

A) WAT BETEKENT “HANDWERKERSGEDOE”?

Trachten wij deze vraag door een klein beeld van de werkzaamheden van een typische sociaaldemocratische studiekring uit de jaren 1894 tot 1901 te beantwoorden. Wij hebben reeds gewezen op de algemene geestdrift voor het marxisme bij de studerende jeugd van dit tijdperk. Deze geestdrift betrof natuurlijk niet alleen en niet zozeer het marxisme als theorie, als wel het antwoord op de vraag: “Wat te doen?” en de oproep tot een campagne tegen de vijand. En de nieuwe strijders trokken met een verwonderlijk primitieve uitrusting en geoefendheid ten strijde. In een massa gevallen was er zelfs bijna in het geheel geen uitrusting en niet de geringste geoefendheid aanwezig. Men trok in de oorlog als boeren van de ploeg, slechts met een knuppel gewapend. Een studiekring van studenten knoopt betrekkingen met de arbeiders aan en gaat aan het werk, zonder enigerlei verbinding met de oude leiders van de beweging, zonder verbinding met kringen in andere plaatsen, of ook maar in andere delen van de stad (of in ander inrichtingen van onderwijs), zonder enigerlei organisatie van de afzonderlijke takken van de revolutionaire arbeid, zonder enigerlei stelselmatig plan van actie voor een wat langer tijdsgewricht. De kring ontplooit geleidelijk een meer en meer omvangrijke propaganda en agitatie, trekt door het feit van naar optreden de sympathie van tamelijk brede lagen van arbeiders, de sympathie van een zeker gedeelte van de beschaafde kringen, dat geld geeft en aan het “comité” steeds weer nieuwe groepen van jeugdigen ter beschikking stelt. De aantrekkingskracht van het comité (of van de “strijdbond”) groeit, de omvang van zijn actie groeit en hij breidt deze werkzaamheden op volkomen elementaire wijze uit: dezelfde mensen, die een jaar of enige maanden geleden in de studentenkringen optraden en de vraag: “Waarheen te gaan?” oplosten, die betrekkingen met de arbeiders aanknoopten en onderhielden, vlugschriften schreven en uitgaven, knopen betrekkingen aan met andere groepen van revolutionairen, verschaffen zich literatuur, beginnen een plaatselijke krant uit te geven, over het houden van een demonstratie te spreken en gaan tenslotte tot openlijke oorlogsdaden over (waarbij zulk een openlijke oorlogsdaad — al naar gelang der omstandigheden — ook reeds het eerste agitatie-vlugschrift of het eerste nummer van de kant of de eerste demonstratie kan zijn). En gewoonlijk leidt reeds het eerste begin dezer acties er onmiddellijk toe, dat de organisatie volkomen in elkaar stort. Onmiddellijk en volkomen, juist omdat deze oorlogsdaden niet het resultaat waren van een stelselmatig, van tevoren overdacht en geleidelijk voorbereid plan voor een langdurige en hardnekkige strijd, maar eenvoudig het op elementaire wijze aangroeien van traditioneel verricht kringwerk; omdat de politie natuurlijk bijna altijd alle hoofdleiders van de plaatselijke beweging kende, die zich al op de studentenbanken hadden “aanbevolen”, en slechts het voor naar gunstige ogenblik voor een overval afwachtte, nadat zij opzettelijk aan de kring de mogelijkheid had gegeven om zich uit te breiden en te ontplooien, om een grijpbaar corpus delicti [1] te hebben en steeds opzettelijk enige haar bekende mensen op vrije voeten liet — “voor de teelt” (zoals de technische uitdrukking luidt, die, voor zover mij bekend is, zowel door onze vrienden als ook door de gendarmen wordt gebruikt). Men moet zulk een oorlog wel met een veldtocht met knuppels gewapende boerenbenden tegen een modern uitgerust leger vergelijken. En men moet zich slechts over de levenskracht van de beweging verwonderen, die ondanks dit volledig gebrek aan voorbereiding bij de strijdenden zich uitbreidde, groeide en overwinningen behaalde. Het is waar, van historisch standpunt uit was het primitieve van de uitrusting in de aanvang niet alleen onvermijdelijk maar zelfs gewettigd als een van de voorwaarden voor het op brede schaal aantrekken van strijders. Maar zodra er ernstige krijgsverrichtingen begonnen (en zij begonnen eigenlijk reeds met de stakingen in de zomer van 1896) — deden de gebreken van onze strijdorganisatie zich steeds sterker en sterker gevoelen. Nadat de regering in de eerste tijd in verwarring was geraakt en een reeks van fouten had begaan (zoals bv. het beroep op de openbaarheid met de schildering van de schanddaden der socialisten of het verbannen van arbeiders uit de hoofdsteden naar de industriecentra in de provincie), paste zij zich snel aan de nieuwe strijdverhoudingen aan en wist zij haar in alle volmaaktheid uitgeruste afdelingen van provocateurs, spionnen en gendarmen op de juiste plaats te brengen. De overvallen begonnen zich zo veelvuldig te herhalen, zulk een massa mensen te vatten, de plaatselijke kringen zo zeer weg te vegen, dat de arbeidersmassa letterlijk alle leiders verloor, de beweging een ongelooflijk sprongsgewijs karakter aannam en er absoluut geen continuïteit en samenhang van het werk tot stand kon komen. De verbazingwekkende verbrokkeling van de plaatselijke functionarissen, de toevallige samenstelling van de studiekringen, het gebrek aan voorbereiding en de enge gezichtskring op het gebied van de theoretische, politieke en organisatorische vraagstukke waren het onvermijdelijke resultaat van de beschreven verhoudingen. De zaak ging zo ver, dat op enige plaatsen de arbeiders tengevolge van ons gebrek aan doorzettingsvermogen en conspiratie, van wantrouwen tegen de intellectuelen werden vervuld en zich van hen afzijdig hielden: de intellectuelen, zeggen zij, veroorzaken door hun al te ondoordacht optreden het ineenstorten van de kringen!

Dat dit handwerkersgedoe tenslotte door alle denkende sociaaldemocraten als een ziekte wordt gevoeld, — dat weet een ieder, die met de beweging ook maar enigermate is bekend. Doch opdat de lezer, die de beweging niet kent, niet gelove, dat wij kunstmatig een bijzonder stadium of een bijzondere ziekte van de beweging “construeren”, willen wij ons op een reeds aangehaalde getuige beroepen. Men duide ons het lange citaat niet ten kwade.

“Wanneer de geleidelijke overgang tot een meer omvangrijke praktische actie”, — schrijft B.w in Nr. 6 van de “Rabotsjeje Djelo”, — “een overgang die rechtstreeks afhankelijk is van de algemene overgangstijd, die de Russische arbeidersbeweging doormaakt, een karakteristiek kenmerk is... dan is er nog een ander, niet minder belangwekkend kenmerk in het algemene mechanisme van de Russische arbeidersrevolutie. Wij spreken over het algemene gebrek aan tot actie deugdelijke revolutionaire krachten [2], dat zich niet slechts in Petersburg, maar in geheel Rusland doet gevoelen. Met de algemene opleving van de arbeidersbeweging, met de algemene ontwikkeling van de arbeidersmassa, met de steeds menigvuldiger wordende stakingen, met de steeds openlijker optredende massastrijd van de arbeiders, waardoor de vervolgingen door de regering, de arrestaties, de verbanningen, de uitzettingen worden versterkt, treedt dit gebrek aan kwalitatief hoog ontwikkelde revolutionaire krachten steeds scherper naar voren en blijft ongetwijfeld niet zonder invloed op de diepte en het algemeen karakter van de beweging. Vele stakingen worden zonder sterke en directe inwerking van de revolutionaire organisaties gevoerd... er doet zich een gebrek aan agitatie-vlugschriften en illegale literatuur gevoelen, de arbeiderskringen blijven zonder agitatoren... Hand in hand daarmee treedt een voortdurend gebrek aan geldmiddelen op. In een woord: de groei van de arbeidersbeweging overvleugelt de groei en de ontwikkeling van de revolutionaire organisaties. Het aantal actieve revolutionairen blijkt te onbetekenend te zijn om in hun handen de invloed op de gehele, in beweging geraakte arbeidersmassa te concentreren, om aan alle bewegingen ook maar een schijn van evenwichtigheid en organisatie te verlenen... De afzonderlijke kringen, de afzonderlijke revolutionairen worden niet bijeen gebracht, zijn niet verenigd, zij vormen geen eensgezinde, sterke en gedisciplineerde organisatie met planmatig ontwikkelde delen...”.

En nadat de schrijver heeft vastgesteld, dat het onmiddellijk verschijnen van nieuwe, op de plaats van de uit elkaar geslagen kringen, “slechts de levenskracht van de beweging maar nog niet het voorhanden zijn van een voldoend aantal volkomen geschikte revolutionaire leiders bewijst”, besluit hij: —

“Het gebrek aan praktische voorbereiding van de Petersburgse revolutionairen vertoont zich ook in de resultaten van hun werk. De jongste processen, in het bijzonder die van de groepen “Zelfbevrijding” en “Strijd van de arbeid tegen het kapitaal” [3], hebben duidelijk aangetoond, dat een jong agitator, die de arbeidsverhoudingen niet in onderdelen kent en bijgevolg ook niet de agitatie in een bepaald bedrijf, die de beginselen van de conspiratie niet kent en zich slechts de algemene opvattingen van de sociaaldemocraten heeft eigen gemaakt” (heeft hij zich die eigen gemaakt?), “misschien een 4, 5, 6 maanden kan werken. Dan volgt zijn arrestatie, die dikwijls het verbrijzelen van de gehele organisatie of ten minste van een deel daarvan ten gevolge heeft. Nu rijst de vraag, of een succesvolle en vruchtbare werkzaamheid van een groep mogelijk is, welker bestaan slechts op maanden is berekend? Blijkbaar kunnen de gebreken van de bestaande organisatie niet ten voile aan de overgangstijd worden geweten... blijkbaar speelt de kwantitatieve en vooral de kwalitatieve samenstelling van de actieve organisaties hier een niet geringe rol en de eerste taak van ons, sociaaldemocraten... moet zijn: de werkelijke vereniging van de organisaties bij een gestrenge keuze van de leden”.

B) HET HANDWERKERSGEDOE EN HET ECONOMISME

Wij moeten thans bij een vraag stilstaan, die iedere lezer zich waarschijnlijk reeds heeft gesteld. Kan men dit handwerkersgedoe, dat als een ziekte van de groei aan de gehele beweging eigen is, met het economisme, als een van de richtingen in de Russische sociaaldemocratie, in verband brengen? Wij menen van ja. Ons allen, ook degenen, die van begin af aan stevig op het standpunt van het revolutionaire marxisme hebben gestaan, ontbreekt het aan praktische voorbereiding, aan begrip van het organisatorische werk. En dit gebrek aan voorbereiding zou op zichzelf beschouwd natuurlijk niemand aan de mannen van de praktijk kunnen verwijten. Maar behalve het gebrek aan scholing behoort tot het begrip van het “handwerkersgedoe” nog iets anders: de beperkte omvang van de revolutionaire arbeid in het algemeen, het niet begrijpen, dat op dit eng begrensde werk ook geen goede organisatie van de revolutionairen kan worden opgebouwd; tenslotte — en dit is de hoofdzaak — de pogingen om deze beperktheid te rechtvaardigen en tot een bijzondere “theorie” te verheffen, d.w.z. het buigen voor het elementaire ook op dit gebied. Zodra zulke pogingen aan de dag waren getreden, werd het reeds ontwijfelbaar, dat het handwerkersgedoe met het economisme verbonden is en dat wij ons van de enge begrenzing van onze organisatorische werkzaamheid niet zullen bevrijden, wanneer wij ons niet van het economisme in het algemeen bevrijden (d.w.z. van de bekrompen opvatting, zowel van de theorie van het marxisme als ook van de rol der sociaaldemocratie en van haar politieke taak). En deze pogingen traden in tweeërlei richting aan het licht. De enen zeiden: de arbeidersmassa zelf heeft nog niet zulke omvangrijke en militante politieke opgaven opgeworpen, als de revolutionairen haar “opdringen”; zij moet nog voor naastbij liggende politieke eisen strijden, de “economische strijd tegen de ondernemers en de regering” voeren [4] (en met deze voor de massale beweging “toegankelijke” strijd komt natuurlijkerwijs ook een, zelfs voor de minst geschoolde jeugd “toegankelijke” organisatie overeen). Anderen, wien elke “geleidelijkheid” verre lag, zeiden: “de politieke revolutie” kan en moet worden ten uitvoer gebracht, maar daarvoor is het volstrekt niet noodzakelijk, een sterke organisatie van revolutionairen te scheppen, die het proletariaat tot standvastige en taaie strijd opvoedt; daartoe is voldoende, dat wij allen de ons “toegankelijke” en reeds goed bekende knuppel ter hand nemen. Om zonder allegorieën te spreken — dat wij de algemene staking doorvoeren [5]; of dat wij de “trage” gang van de arbeidersbeweging met behulp van een “exciterende terreur” [6] trachten aan te vuren. Deze beide richtingen, de opportunisten zowel als de “revolutionisten”, capituleren voor het heersende handwerkersgedoe; zij geloven niet in de mogelijkheid zich daarvan te bevrijden, zij begrijpen onze eerste en dringendste praktische taak niet: een organisatie van revolutionairen te scheppen, die in staat is de energie, taaiheid en geregelde voortzetting van de politieke strijd te verzekeren.

Wij hebben zo-even de woorden van B-w aangehaald: “"de groei van de arbeidersbeweging overvleugelt de groei en de ontwikkeling van de revolutionaire organisaties”. Deze “waardevolle mededeling van iemand, die de toestand van nabij beschouwt” (beoordeling van het artikel van B-w door de redactie van de “Rabotsjeje Djelo”) heeft voor ons dubbele waarde. Zij toont, dat wij gelijk hadden, toen wij de voornaamste oorzaak van de huidige crisis in de Russische sociaaldemocratie in de omstandigheid zagen, dat de leiders (de “ideologen”, de revolutionairen, de sociaaldemocraten) bij de elementaire opleving van de massa’s ten achter zijn gebleven. Zij toont, dat al die uitspraken van de schrijvers van de economische brief (in Nr. 12 van de “Iskra”) van B. Kritsjevski en Martynov over het gevaar om de betekenis van het elementaire, van de grauwe dagelijkse strijd te onderschatten, over de tactiek als proces, enz. juist een verheerlijking en een verdediging van het handwerkersgedoe zijn. Deze mensen, die het woord “theoreticus” niet zonder verachtelijke grimassen kunnen uitspreken, die hun knieval voor het in het leven aan de dag tredende gebrek aan voorbereiding en scholing “aanvoelen van het leven” noemen, openbaren in werkelijkheid, dat zij van onze meest dringende praktische taak geen begrip hebben. Mensen, die ten achter zijn gebleven, roepen zij toe: Markeert de pas! Loopt niet vooruit! Tot mensen, die aan gebrek aan energie en initiatief in het organisatiewerk lijden, aan gebrek aan “plannen” om de zaak op brede en stoutmoedige wijze te stellen, schreeuwen zij over de “tactiek als proces”! Onze hoofdzonde bestaat in het omlaag halen van onze politieke en organisatorische opgaven tot het peil van de naastbijliggende, “tastbare”, “concrete” belangen van de dagelijkse economische strijd, — en men blijft ons voorzingen: men moet de economische strijd zelf een politiek karakter verlenen! Nog eens: dat is letterlijk zulk een “aanvoelen van het leven”, als de held van het volksepos aan de dag legde, die bij het zien van een begrafenisstoet uitriep: “kalm aan dan breekt het lijntje niet”!

Men herinnere zich, met welk een onvergelijkelijke eigenwaan en hoogmoed deze al te wijze mensen Plechanov aan het verstand trachtten te brengen, dat:

“de politieke vraagstukken in de werkelijke, praktische zin van het woord, d.w.z. in de zin van de doelmatige en succesvolle praktische strijd voor politieke eisen, voor de arbeiderskringen in het algemeen (sic!) niet toegankelijk zijn” (“Antwoord van de redactie van de Rabotsjeje Djelo”, blz. 24).

Er zijn kringen en kringen, mijne heren! Voor een kring van “handwerkers” zijn natuurlijk de politieke vraagstukken niet toegankelijk, zolang deze handwerkers hun handwerkersgedoe niet hebben ingezien en zich daarvan niet hebben bevrijd. Maar wanneer deze handwerkers bovendien nog op hun handwerkersgedoe verliefd zijn, — wanneer zij het woord “praktisch” bestendig cursief schrijven en zich verbeelden, dat de praktijk van hen eist, dat zij hun opgaven tot op het peil van het begripsvermogen van de achterlijkste lagen van de massa’s naar beneden halen, — dan is het natuurlijk met deze handwerkers hopeloos gesteld en zijn voor hen werkelijk de politieke opgaven in het algemeen ontoegankelijk. Maar voor een kring van coryfeeën van de aard van Alexejev en Mysjkin, Chaltoerin en Zjeljabov, zijn de politieke opgaven in de meest werkelijke, in de meest praktische zin van dat woord toegankelijk; zij zijn hun juist daarom en in zover toegankelijk, als hun vurige prediking in de elementair ontwakende massa weerklank vindt, als hun vonken spattende energie door de energie van de revolutionaire klasse wordt overgenomen en ondersteund. Plechanov had duizendmaal gelijk, toen hij niet slechts op deze revolutionaire klasse wees, niet slechts de onvermijdelijkheid, de noodzakelijkheid van haar elementair ontwaken bewees, maar ook de “arbeiderskringen” voor een hoge en grootse politieke taak plaatste. Gij evenwel beroept u op de sindsdien ontstane massabeweging om die taak naar beneden te halen, — om de energie en de omvang van de actie van de “arbeiderskringen” in te krimpen. Betekent dit soms iets anders dan de verliefdheid van de handwerker op zijn handwerkersgedoe? Gij pocht op uw praktische zin en hebt geen ogen voor het aan iedere Russische practicus bekende feit, welke wonderen voor de zaak van de revolutie de energie niet alleen van een kring, maar zelfs van een enkele persoon kan wrochten. Of gelooft gij, dat in onze beweging geen coryfeeën zoals in de jaren 70 kunnen voorkomen? Waarom dan niet? Omdat wij niet voldoende zijn voorbereid? Maar wij bereiden ons voor en zullen ons voorbereiden tot het einde toe! Wei is waar is er bij ons ongelukkigerwijze in het stilstaande water van de “economische strijd tegen de ondernemers en de regering” bederf ontstaan; er verschenen mensen, die voor de elementaire beweging de knie buigen en ze aanbidden, terwijl zij vol eerbied naar “het achterste” van het Russische proletariaat opzien. (Volgens de uitdrukking van Plechanov [7]) Wij zullen echter dit bederf weten te overwinnen. Juist nu kan de Russische revolutionair, die zich door een in waarheid revolutionaire theorie laat leiden en op een in waarheid revolutionaire en elementair ontwakende klasse steunt, eindelijk — eindelijk! — zich in zijn voile grootte oprichten en heel zijn heldenkracht ontplooien. Hiertoe is slechts nodig, dat iedere poging om onze politieke taak en de omvang van ons organisatiewerk te verkleinen, bij de massa van de mannen der praktijk, bij de nog grotere massa van mensen, die reeds sedert de schoolbanken van praktische arbeid dromen, op hoon en verachting stoot. En dat zullen wij bereiken, wees daar zeker van, mijne heren!

Maar indien de lezer parels van “economische” verliefdheid op het handwerkersgedoe wil zien, dan moet hij zich natuurlijk van de eclectische en weifelende “Rabotsjeje Djelo” naar de consequente en besliste “Rabotsjaja Mysl” wenden.

“Thans twee woorden over de zogenaamde revolutionaire intellectuelen”, schreef R. M. in het “Extra Bijvoegsel”, blz. 13 — “die hebben weliswaar meer dan eens metterdaad hun volledige bereidwilligheid getoond, om “het tsarisme beslissend slag te leveren”. Het is alleen maar ongelukkig, dat onze revolutionaire intellectuelen, die door de politieke politie meedogenloos worden vervolgd, de strijd tegen deze politieke politie voor de politieke strijd tegen het absolutisme hielden. Daarom blijft voor hen tot nu toe de kwestie ook onopgehelderd “waar de krachten voor de strijd tegen het absolutisme vandaan te halen?”

Niet waar, is deze minachting voor de strijd tegen de politie van de kant van een vereerder (in de slechte zin van het woord) van de elementaire beweging niet kostelijk? Hij is bereid om onze conspiratieve onbeholpenheid te rechtvaardigen met de bewering, dat, — met het oog op de bestaande elementaire massabeweging, de strijd tegen de politieke politie voor ons eigenlijk ook niet belangrijk is! Deze monsterachtige gevolgtrekking zullen slechts zeer, zeer weinigen onderschrijven: zo brandend is voor allen het vraagstuk van de gebreken van onze revolutionaire organisaties. Maar als Martinov bv. ze niet zal onderschrijven, dan alleen omdat hij niet in staat is of de moed niet heeft zijn stellingen tot het einde toe door te denken. Inderdaad, eist soms zulk een “taak”, als het opstellen door de massa van concrete eisen, die tastbare resultaten beloven, bijzondere zorg voor het stichten van een vaste, gecentraliseerde strijdorganisatie van revolutionairen? Wordt deze “taak” soms ook niet vervuld door zulk een massa, die in het geheel niet “tegen de politieke politie strijdt”? Meer dan dit: zou deze taak soms vervuld kunnen worden, indien niet naast de weinige leiders ook (en wel in overgrote meerderheid) zulke arbeiders zich daaraan zetten, die volstrekt niet in staat zijn om “tegen de politieke politie te strijden”? Zulke arbeiders, doorsneemensen uit de massa zijn in staat om een geweldige energie en zelfopoffering in een staking, in straatgevechten tegen de politie en de troepen aan de dag te leggen; zij zijn in staat (en zij alleen) om over de uitslag van onze gehele beweging te beslissen; — maar juist de strijd tegen de politieke politie eist bijzondere eigenschappen, eist beroepsrevolutionairen. En wij moeten er niet alleen voor zorgen, dat de massa concrete eisen “stelt”” maar ook daarvoor, dat de massa van de arbeiders uit naar middenin steeds groter aantal zulke beroepsrevolutionairen “voortbrengt”. Zo zijn wij tot het vraagstuk van de verhouding tussen de organisatie van beroepsrevolutionairen en de zuivere arbeidersbeweging gekomen. Dit vraagstuk, dat in de literatuur een zwakke weerklank heeft gevonden, heeft ons “politici”, in onze gesprekken en discussies met min of meer naar het economisme overhellende kameraden veel bezig gehouden. Het loont de moeite, daar in het bijzonder bij stil te staan. Maar eerst willen wij nog met een citaat onze stelling over het verband tussen het handwerkersgedoe en het economisme besluiten.

“De groep “Bevrijding van de Arbeid”, — schreef de heer N.N. [8] in zijn “Antwoord”, — “eist de rechtstreekse strijd tegen de regering, zonder er over na te denken, waar de materiele kracht voor deze strijd is, zonder aan te tonen, waar voor haar de wegen liggen”.

En de laatste woorden cursief, maakt de schrijver bij het woord “wegen” de volgende opmerking: —

“Deze omstandigheid kan niet door conspiratieve doeleinden worden verklaard, omdat in het program niet van een samenzwering, maar van een — massabeweging sprake is. Maar de massa kan geen heimelijke wegen gaan. Is soms een geheime staking mogelijk? Is soms een geheime demonstratie of petitie mogelijk?” (“Vademecum”, blz. 59).

De schrijver is tot vlak bij het vraagstuk van deze “materiele kracht” (de bewerkers van stakingen en demonstraties) en van de “wegen” van de strijd gekomen, maar daarbij bleek hij toch een verwarrend gebrek aan begrip te tonen, want hij “buigt de knie” voor de massabeweging, d.w.z. hij beschouwt deze als iets, dat ons van onze revolutionaire activiteit bevrijdt en niet als iets, dat onze revolutionaire activiteit moet aanmoedigen en aansporen. Een geheime staking is niet mogelijk voor hen, die er aan deelnemen en voor alle daarmee direct in aanraking komende personen. Maar voor de massa van de Russische arbeiders kan deze staking een “geheim” blijven (en in de meeste gevallen blijft ze dit ook), want de regering zal er voor zorgen, dat elke aanraking met de stakers wordt afgesneden en dat elke verspreiding van mededelingen over de staking onmogelijk wordt gemaakt. Hier is nu reeds een speciale “strijd tegen de politieke politie” noodzakelijk, een strijd, die zulk een brede massa, die aan stakingen deelneemt, nooit actief zal kunnen voeren. Deze strijd moet “naar alle regelen van de kunst” worden georganiseerd door mensen, die van de revolutionaire werkzaamheid een beroep maken. Het organiseren van deze strijd is niet minder noodzakelijk geworden, omdat de massa elementair in de beweging wordt getrokken. Integendeel, daardoor wordt de organisatie nog meer noodzakelijk, want wij, specialisten, zouden onze directe plichten tegenover de massa niet nakomen, indien wij de politie niet wisten te beletten van iedere staking en iedere manifestatie een geheim te maken (en indien wij ze zelf niet menigmaal in het geheim voorbereidden). Wij kunnen daartoe juist in staat zijn, omdat de elementair ontwakende massa ook uit naar midden in steeds groter en groter aantal “beroepsrevolutionairen” zal voortbrengen (wanneer wij het niet in ons hoofd halen, de arbeiders op elke wijze aan te sporen de pas te markeren).

C) DE ORGANISATIE VAN DE ARBEIDERS EN DE ORGANISATIE VAN DE REVOLUTIONAIREN

Valt voor een sociaaldemocraat het begrip van de politieke strijd samen met het begrip van de “economische strijd tegen de ondernemers en de regering”, dan moet men natuurlijk verwachten, dat het begrip “organisatie van de revolutionairen” voor hem min of meer met het begrip “organisatie van de arbeiders” zal samenvallen. En dit geschiedt werkelijk; zodat wij letterlijk verschillende talen blijken te spreken, wanneer wij over organisatie spreken. Zo herinner ik mij bv. als de dag van heden een gesprek met een tamelijk consequent economist, dien ik vroeger niet had gekend. Het gesprek liep over de brochure “Wie zal de politieke revolutie volbrengen?” [9] en wij waren het spoedig met elkaar eens, dat haar voornaamste gebrek het verwaarlozen van het vraagstuk der organisatie was. Wij verbeeldden ons reeds, dat wij het volkomen met elkaar eens waren — maar... het gesprek gaat verder en daar blijkt, dat wij over verschillende dingen spreken. Onze economist beschuldigt de schrijver, dat hij de stakingskassen, de ondersteuningsverenigingen, enz. over het hoofd heeft gezien, terwijl ik de organisatie van de revolutionairen op’ het oog had, die noodzakelijk is om de politieke revolutie te “volbrengen”. En nauwelijks was dit meningsverschil aan de dag getreden, — of ik herinner mij reeds niet, dat ik het over welke principiële kwestie dan ook met deze economist eens kon worden!

Wat was de oorsprong van onze meningsverschillen? Die lag juist in het feit, dat de economisten voortdurend van het sociaaldemocratisme in het trade-unionisme vervallen, zowel bij de organisatorische als ook bij de politieke opgaven. De politieke strijd van de sociaaldemocratie is veel omvangrijker en ingewikkelder dan de economische strijd van de arbeiders tegen de ondernemers en de regering. Juist zo (en dientengevolge) moet de organisatie van de revolutionaire sociaaldemocratische partij onvermijdelijk van een andere soort zijn dan de organisatie van de arbeiders voor zulk een strijd. De organisatie van de arbeiders moet ten eerste een vakorganisatie zijn; ten tweede moet zij zo omvangrijk mogelijk zijn; ten derde moet zij zo min mogelijk conspiratief zijn (ik spreek natuurlijk hier en verder alleen met het oog op het absolutistische Rusland). De organisatie van de revolutionairen daarentegen, moet in de eerste plaats en in hoofdzaak mensen omvatten, wier beroep de revolutionaire werkzaamheid is (daarom spreek ik ook over een organisatie van revolutionairen, waarbij ik de revolutionaire sociaaldemocraten op het oog heb). Tegenover dit algemene kenmerk van de leden van zulk een organisatie moet ieder onderscheid tussen arbeiders en intellectuelen volkomen verdwijnen, om geheel te zwijgen over het onderscheid in beroepen Van de enen en de anderen. Deze organisatie moet noodzakelijkerwijs niet zeer omvangrijk en zo conspiratief mogelijk zijn. Gaan we op dit drievoudige verschil nader in.

In landen met politieke vrijheid is het onderscheid tussen de vak- en de politieke organisatie volkomen duidelijk, even duidelijk als het onderscheid tussen de trade-unions en de sociaaldemocratie. De verhouding tussen de laatste en de eerste neemt natuurlijk in de verschillende landen onvermijdelijk verschillende vormen aan, al naar de historische, juridische en andere verhoudingen, — zij kunnen meer of minder nauw, gecompliceerd enz. zijn, (van ons standpunt moeten zij zo nauw en zo ongecompliceerd mogelijk zijn) maar van een samenvallen van de vakverenigingen met de organisaties van de sociaaldemocratische partij kan in vrije landen geen sprake zijn. In Rusland evenwel wordt op het eerste gezicht door de onderdrukking van het absolutisme elk onderscheid tussen de sociaaldemocratische organisatie en de arbeidersvereniging uitgewist, want alle arbeidersverenigingen en alle kringen zijn verboden, want het belangrijkste verschijnsel en het belangrijkste werktuig van de economische strijd van de arbeiders, — de staking — geldt in het algemeen als criminele (en somtijds zelfs als politieke) misdaad! Onze verhoudingen “stoten” dus enerzijds de arbeiders, die de economische strijd voeren, ten zeerste op politieke vraagstukken en anderzijds “stoten” zij de sociaaldemocraten tot het verwisselen van het trade-unionisme met het sociaaldemocratisme (en onze Kritsjevski’s, Martynov’s & Co., die met bijzondere ijver over dit “stoten” van de eerste soort spreken, merken het “stoten” van de tweede soort niet op). Inderdaad: men stelle zich mensen voor, die voor 99 procent door de “economische strijd tegen de ondernemers en de regering” in beslag zijn genomen. Een deel van hen zal in de loop van de gehele periode hunner werkzaamheid (vier-zes maanden) [10] geen enkele maal op het vraagstuk van de noodzakelijkheid van een meer gecompliceerde organisatie van revolutionairen stoten; anderen zullen misschien op de betrekkelijk ruim verspreide Bernstein-literatuur “stoten”, waaruit zij de overtuiging van het bijzondere belang van de “onafgebroken voortgang van de grauwe dagelijkse strijd” zullen putten. Weer anderen, tenslotte, zullen misschien in geestdrift geraken voor de verleidelijke idee, aan de wereld een nieuw staaltje van de “nauwe en organische verbinding met de proletarische strijd”, de verbinding tussen de vak- en de sociaaldemocratische beweging te tonen. Hoe later, dat een land het strijdperk van het kapitalisme en bij gevolg ook van de arbeidersbeweging binnen treedt, — kunnen zulke mensen argumenteren, — des te meer kunnen de socialisten aan de vakbeweging deelnemen en haar ondersteunen, — des te minder kunnen en moeten er niet-sociaaldemocratische vakverenigingen zijn. Tot zover is deze beschouwing volkomen juist, maar het ongeluk wil, dat men nog verder gaat en van een volledige samensmelting van het sociaaldemocratisme met het trade-unionisme droomt. Wij zullen dadelijk aan het voorbeeld van de statuten van de Petersburgse “Strijdbond” zien, hoe schadelijk zulke dromerijen op onze organisatieplannen inwerken. De organisaties van de arbeiders voor de economische strijd moeten vakorganisaties zijn. Iedere sociaaldemocratische arbeider moet deze organisaties zo goed mogelijk ondersteunen en actief daarin werken. Dit is juist. Maar het is volstrekt niet in ons belang, te eisen, dat slechts sociaaldemocraten lid van de “bedrijfs”-verenigingen mogen zijn: dat zou de omvang van onze invloed op de massa’s beperken. Laten aan de bedrijfsverenigingen maar alle arbeiders deelnemen, die de noodzakelijkheid van de aaneensluiting voor de strijd tegen de ondernemers en de regering begrijpen. Het doel van de bedrijfsvereniging zelf zou onbereikbaar zijn, indien deze bedrijfsverenigingen niet zeer omvangrijke organisaties waren.

En hoe meer omvangrijk deze organisaties zijn, des te groter zal onze invloed daarop zijn, — een invloed, die niet slechts bij de “elementaire” ontwikkeling van de economische strijd blijkt” maar ook door de rechtstreekse, doelbewuste inwerking van de socialistische leden van de bond op hun kameraden. Maar bij een brede samenstelling van de organisatie is een strenge conspiratie, (die een veel grotere scholing eist dan het deelnemen aan de economische strijd), onmogelijk. Hoe deze tegenstrijdigheid tussen de noodzakelijkheid van een brede samenstelling en een strenge conspiratie op te heffen? Hoe te bereiken, dat de vakorganisaties zo weinig mogelijk conspiratief zijn? Daartoe kunnen, in het algemeen gesproken, slechts twee wegen bestaan: of het legaliseren van de vakbonden (dat in sommige landen aan het legaliseren van de socialistische en de politieke verenigingen vooraf ging) of het handhaven van de geheime organisatie, die echter zo “vrij”, zo weinig formeel, zo “lose” [11] moet zijn, zoals de Duitsers plegen te zeggen, dat de conspiratie voor de massa van de leden bijna gelijk aan nul wordt. Het legaliseren van de niet-socialistische en niet-politieke arbeidersbonden is in Rusland reeds begonnen en het kan aan geen twijfel onderhevig zijn, dat iedere stap van onze snel groeiende sociaaldemocratische arbeidersbeweging de pogingen hiertoe zal vermeerderen en bevorderen, — pogingen, die in hoofdzaak van de aanhangers van de bestaande orde, maar gedeeltelijk ook van de arbeiders zelf en van de liberale intellectuelen uitgaan. De vlag van de legalisatie werd reeds door de Vasiljevs en Zoebatovs gehesen; de heren Ozerov en Worms hebben reeds hun steun toegezegd en verleend, onder de arbeiders bevinden zich reeds aanhangers van de nieuwe stroming. En wij zijn van nu af aan wel gedwongen om met deze stroming rekening te houden. Op welke wijze dit moet geschieden, — daarover kan er onder sociaaldemocraten wel geen tweeërlei mening bestaan. Wij zijn verplicht onveranderlijk iedere deelname van de Zoebatovs en Vasiljevs, de gendarmen en de popen aan deze stroming te ontmaskeren en de arbeiders over de ware bedoelingen van deze deelnemers in te lichten. Wij zijn ook verplicht, iedere klank van verzoeningsgezindheid en “harmonie”, die in de redevoeringen van de liberale politici op de openbare arbeidersvergaderingen zal weerklinken, te ontmaskeren, — onverschillig of zij deze klanken laten horen, omdat zij oprecht overtuigd zijn van de noodzakelijkheid ener vreedzame samenwerking van de klassen, of omdat zij zich bij de overheid populair willen maken, of tenslotte omdat zij eenvoudig onhandig zijn. Wij zijn tenslotte verplicht de arbeiders te waarschuwen voor de val, die hun dikwijls door de politie wordt gesteld, die in deze openbare vergaderingen en toegestane verenigingen “mensen met pit” bespioneert en door middel van de legale organisaties hun provocateurs ook in de illegale organisaties tracht te brengen.

Maar dit alles te doen — dat betekent helemaal niet, te vergeten, dat de legalisatie van de arbeidersbeweging tenlangenleste juist ons en niet de Zoebatovs van voordeel zal zijn. Integendeel: juist door onze onthullingscampagne scheiden wij het kaf van het koren. Op het kaf hebben wij reeds gewezen. Het koren, — dat is het wekken van de aandacht van nog bredere en van de achterlijkste lagen der arbeiders voor sociale en politieke kwesties, — dat is het bevrijden van ons, revolutionairen, van zulke functies, die in wezen legaal zijn (verspreiding van legale boeken, wederzijds hulpbetoon, enz.) en welker ontwikkeling ons onvermijdelijk steeds meer agitatiemateriaal zal leveren. In deze zin kunnen en moeten wij tot de Zoebatov’s en Ozerov’s zeggen: gaat maar zo voort, mijne heren, gaat zo voort! In zover gij de arbeiders een val stelt (in de zin van rechtstreekse provocatie of in de zin van “eerlijk” de arbeiders door het “Stroewisme” te bederven) — zullen wij wel voor uw ontmaskering zorgen. In zover gij een werkelijke stap vooruit doet, — zij het ook in de vorm van een “allerschuchterst zigzag”, maar toch een stap vooruit, — zullen wij zeggen: — tot uw dienst! Een werkelijke stap vooruit kan slechts een werkelijke, zij het ook een uiterst kleine uitbreiding van de vrijheid voor de arbeiders zijn. En elke dergelijke uitbreiding zal ons te pas komen en het ontstaan van zulke legale verenigingen bespoedigen, waarin niet de provocateurs socialisten vangen, maar wel de socialisten aanhangers zullen winnen. In een woord: thans bestaat onze zaak in het vechten tegen het onkruid. Het is niet onze zaak, in bloempotten tarwe te kweken. Door het onkruid te verwijderen, zuiveren wij de grond voor de mogelijke groei van het tarwezaad. Terwijl de Afanasi Ivanovitsjen en de Pulcheria Ivanovna’s [12] zich met het opkweken van de kamerplanten bezig houden, moeten wij maaiers opleiden, die in staat zijn vandaag het onkruid te wieden en de tarwe van morgen te oogsten.

Wij kunnen dus door middel van de legalisatie de kwestie van het scheppen van een zo weinig mogelijk conspiratieve en zo omvangrijk mogelijke vakorganisatie niet oplossen (maar wij zouden zeer verheugd zijn, indien de Zoebatov’s en Ozerov’s ons tenminste voor een deel de mogelijkheid van zulk een oplossing gaven, — en daartoe moeten wij hen zo energiek mogelijk bestrijden!). Er rest de weg van de geheime vakverenigingen en wij moeten de arbeiders, die (zoals wij heel goed weten) deze weg reeds bewandelen, op iedere wijze steunen. De vakorganisaties kunnen niet alleen van het grootste nut zijn voor het ontwikkelen en het versterken van de economische strijd, maar zij kunnen ook tot een zeer belangrijk hulpmiddel voor de politieke agitatie en de revolutionaire organisatie worden. Om dit resultaat te bereiken, om de beginnende vakbeweging in een, voor de sociaaldemocratie gewenst vaarwater te leiden, — moet men in de eerste plaats een duidelijke voorstelling hebben van de dwaasheid van het organisatieplan, dat de Petersburgse economisten nu reeds bijna vijf jaren met zich rond slepen. Dit plan is ontvouwd in het “Statuut van de arbeiderskas” van Juli 1897 (“Listok Rabotnika”, Nr. 9 en 10, blz. 46, uit “Rabotsjaja Mysl”, Nr. 1) en in het “Statuut van de Verenigde Arbeidersorganisatie”, van oktober 1900 (afzonderlijk vlugschrift, gedrukt te Sint-Petersburg en aangehaald in nr. 1 van de “Iskra”). De voomaamste tekortkomingen van deze beide statuten zijn de tot in de kleinste onderdelen afdalende voorschriften voor de brede arbeidersorganisatie en haar verwisseling met de organisatie van de revolutionairen. Nemen wij het tweede statuut, dat het best is uitgewerkt. Zijn inhoud bestaat uit twee-en-vijftig paragrafen: in 23 paragrafen wordt de opbouw uiteengezet, de administratieve regeling en de bevoegdheidsgrenzen van de “arbeiderskringen”, die in ieder bedrijf moeten worden ingericht (“niet meer dan tien man”) en die “centrale (bedrijfs-)groepen” moeten kiezen. “De centrale groep”, — zo luidt 2, — “volgt alles wat in haar fabriek of bedrijf voorvalt en houdt een dagboek van deze gebeurtenissen bij”. “De centrale groep brengt maandelijks verslag uit aan alle leden over de stand van de kas” ( 17) enz. 10 paragrafen zijn gewijd aan de “districtsorganisatie” en 19 — aan de uiterst ingewikkelde verstrengeling van het “Comité van de Arbeidersorganisatie” met het “Comité van de Petersburgse Strijdbond” (gekozenen uit ieder district en uit de “bestuursgroepen”, — “propagandistengroepen, groepen voor het in stand houden van de verbinding met de provincie, met het buitenland, voor het beheer van de magazijnen, de uitgeverij, en van de kas”).

De sociaaldemocratie = “bestuursgroepen” met betrekking tot de economische strijd van de arbeiders! Men zou moeilijk plastischer kunnen tonen, hoe de gedachte van de economist van het sociaaldemocratisme afdwaalt naar het trade-unionisme, — hoe ver hem iedere voorstelling ligt, dat de sociaaldemocraat in de eerste plaats moet denken aan de organisatie van revolutionairen, die in staat zijn tot het leiden van de gehele bevrijdingsstrijd van het proletariaat. Spreken over de “politieke bevrijding van de arbeidersklasse”, over de strijd tegen de “tsaristische willekeur” en zulke organisatiestatuten ontwerpen, dat betekent, niet het minste begrip hebben van de werkelijke politieke taak van de sociaaldemocratie. Geen enkele van het halve-honderd paragrafen toont ook maar een schijn van begrip, dat de breedst mogelijke agitatie onder de massa’s noodzakelijk is, — een agitatie, die alle kanten van het Russische absolutisme, geheel de gestalte van de verschillende klassen der maatschappij in Rusland belicht. Ja met zulke statuten kunnen niet alleen geen politieke, maar ook geen trade-unionistische doeleinden worden verwezenlijkt, want deze eisen een organisatie volgens vakken, waarvan niet eens melding wordt gemaakt.

Maar het meest karakteristiek is toch wel de verbluffende logheid van dit ganse “stelsel”, dat elke afzonderlijke fabriek door een vaste band van eenvormige en tot in het belachelijke gedetailleerde regels op grond van een driewerf getrapt kiesstelsel met het “comité” tracht te verbinden. Ingesnoerd in de enge gezichtskring van het economisme, vervalt de gedachte hier in details, waar de omslachtigheid en het bureaucratisme vanaf slaan. In werkelijkheid zullen natuurlijk drie kwart van deze paragrafen nooit worden toegepast; daarentegen maakt zulk een “conspiratieve” organisatie met een centrale groep in iedere fabriek voor de gendarmen het op touw zetten van de omvangrijkste massa-arrestaties gemakkelijk. De Poolse kameraden hebben reeds zulk een periode van de beweging achter de rug, toen allen voor een op grote schaal stichten van arbeiderskassen in geestdrift geraakten, maar zij hebben deze gedachte zeer spoedig opgegeven, omdat zij er zich van overtuigden, dat zij alleen aan de gendarmen een rijke oogst ter beschikking stelden. Indien wij brede arbeidersorganisaties, maar geen brede arrestaties willen, — indien wij de gendarmen geen genoegen willen bereiden, dan moeten wij er naar streven, dat deze organisaties volstrekt geen vaste vorm hebben. — Zullen zij dan kunnen functioneren? — Men lette eens op deze functies: “alles nagaan, wat in de fabriek gebeurt en een dagboek van deze gebeurtenissen bijhouden” ( 2 van het statuut), Moet dit werkelijk beslist volgens vaste regels gebeuren? Kan dit soms niet beter worden bereikt door correspondenties aan de illegale bladen, zonder voor dit doel bijzondere groepen te vormen? “... De strijd van de arbeiders voor de verbetering van hun toestand in het bedrijf leiden” ( 3 van het statuut). Ook hier is weer een vaste vorm overbodig. Welke eisen de arbeiders willen stellen, dat kan iedere enigermate flinke agitator uit een eenvoudig gesprek precies te weten komen, om het dan over te brengen aan de enge — en niet brede — organisatie van revolutionairen, om het gewenste vlugschrift te vervaardigen... “Een kas te organiseren... met een bijdrage van twee kopeken per roebel” ( 9) — en dan maandelijks aan allen verslag over de kas uitbrengen ( 17), de niet-betalende leden uitsluiten ( 10) enz. Dit is voor de politie werkelijk een paradijs, want niets is gemakkelijker dan in deze gehele conspiratieve “centrale fabriekskas” binnen te’ dringen, het geld in beslag te nemen en de beste mensen weg te halen. Zou het niet eenvoudiger zijn, zegels van een of twee kopeken met het stempel van de bekende (zeer enge en zeer conspiratieve) organisatie uit te geven, of geheel zonder zegels collectes te houden, waarvan de illegale krant onder een bepaalde, afgesproken zinspreuk verslag uitbrengt? Hetzelfde doel zal worden bereikt, maar de gendarmen zal het honderdmaal moeilijker vallen om de draden te ontdekken.

Ik zou mijn analyse van dit statuut als voorbeeld nog kunnen voortzetten, maar ik geloof, dat het gezegde voldoende is. Een kleine, stevig in elkaar zittende kern van de meest betrouwbare, ervaren en gestaalde arbeiders, die in de voornaamste districten zijn vertrouwensmannen heeft en volgens alle regelen van de gestrengste conspiratie met de organisatie van de revolutionairen is verbonden, kan bij de breedste medewerking van de massa en zonder enige vaste vorm zeer goed al de functies vervullen, die op de vakorganisatie rusten en bovendien juist zo, als dit voor de sociaaldemocratie gewenst is. Alleen langs deze weg kan en moet men, alle gendarmen ten spijt, de versterking en ontplooiing van de sociaaldemocratische vakbeweging bereiken.

Men zal mij tegenwerpen: een organisatie, die zo “lose” (11) is, dat ze volstrekt geen vaste vorm heeft, dat zij zelfs geen bekende en geregistreerde leden bezit, kan niet als organisatie gelden. Dat is mogelijk. Ik sta niet op een naam. Maar alles, wat nodig is, zal deze “organisatie zonder leden” doen en zij zal van begin af aan een vaste verbinding van onze toekomstige trade-unions met het socialisme waarborgen. Maar wie onder het absolutisme een brede arbeidersorganisatie met verkiezingen, verslagen, algemene stemmingen, enz. wil hebben, — die is eenvoudig een onverbeterlijke utopist.

De moraal hieruit is eenvoudig: wanneer wij beginnen een stevige organisatie van de revolutionairen op de been te brengen, dan zullen wij het weerstandsvermogen van de beweging in haar geheel kunnen verzekeren en zowel de sociaaldemocratische als de trade-unionistische doeleinden verwezenlijken. Wanneer wij evenwel beginnen met de voor de massa zogenaamd meest “toegankelijke” brede arbeidersorganisatie (die evenwel in werkelijkheid het meest voor de gendarmen toegankelijk is en die de revolutionairen voor de politie het meest toegankelijk maakt), dan zullen wij evenmin deze als gene doeleinden verwezenlijken, ons van het handwerkersgedoe niet vrijmaken en door onze verbrokkeling, door onze eeuwige nederlagen slechts de trade-unions van het Zoebatov- of Ozerovtype voor de massa’s het meest toegankelijk maken.

Waarin moeten nu eigenlijk de functies van deze organisatie van de revolutionairen bestaan? — Daarover zullen wij aanstonds uitvoerig spreken. Beschouwen wij echter eerst nog een zeer typische redenering van onze terrorist, die zich wederom (welk een treurig lot!) in de naaste omgeving van de economist bevindt. In het arbeidersblad “Swoboda” (Nr. 1) is een artikel onder de titel “De organisatie” verschenen, waarvan de schrijver zijn kennissen, arbeiderseconomisten uit Ivanovo-Voznesensk in bescherming wil nemen.

“Het is erg”, — schrijft hij — “wanneer de menigte stom, onbewust is, wanneer de beweging niet van onderen opkomt. Ziet eens: de studenten verlaten de universiteitssteden en gaan voor de feestdagen of voor de zomervakantie naar huis, — en de arbeidersbeweging staat stil... Kan zulk een arbeidersbeweging, die een stoot van buiten af nodig heeft, soms een werkelijke kracht uitmaken? Geen denken aan... Zij heeft nog niet op eigen voeten leren staan, ze moet nog aan de leiband lopen En zo staat het met alles: de studenten zijn weg — alles staat stil; men heeft de meest begaafden weggerukt, de room afgeschept — en de melk wordt zuur; men heeft het “comité” gearresteerd — totdat er een nieuw tot stand komt alweer stilstand; en wie weet, wat voor een comité er tot stand komt — misschien lijkt het helemaal niet op het vorige: dit heeft zus gezegd en dat zal het tegendeel zeggen Het verband tussen de dag van gisteren en die van morgen gaat verloren, de ervaring van het verleden dient niet als leer voor de toekomst. En dit alles omdat men geen wortels in de diepte, in de menigte heeft, er werken geen honderd domkoppen, maar tien knapperds... Een tiental kan steeds met een snoekenbeet te grazen worden genomen, heeft echter de organisatie de menigte omvat en komt alles uit de menigte — dan is geen dienstijver in staat, de zaak te gronde te richten (blz. 63).

De feiten zijn juist getekend. Het beeld van ons handwerkersgedoe is niet kwaad. Maar de gevolgtrekkingen zijn wat hun onverstand zowel als hun gebrek aan politieke tact aangaat, de “Rabotsjaja Mysl” waard. Dit is het toppunt van onverstand, want de schrijver verwisselt het filosofische en sociaal-historische vraagstuk van “de wortels” van de beweging “in de diepte”, met het technisch-organisatorische vraagstuk van de beste strijd tegen de gendarmen. Dit is het toppunt van gebrek aan politieke tact, want in plaats van zich af te wenden van de slechte leiders en een beroep te doen op de goede, wendt de schrijver zich van de leiders in het algemeen af en doet hij een beroep op de “menigte”. Dit is juist zulk een poging, ons in organisatorisch opzicht achteruit te trekken, als in politiek opzicht het denkbeeld ons achteruittrekt, om de politieke agitatie door een exciterende terreur te vervangen. Ik ondervond werkelijk een “embarres de richesse” [13], omdat ik niet weet, waarmee ik de analyse van deze warwinkel, die ons door de “Swoboda” wordt opgedist, moet beginnen. Duidelijkheidshalve zal ik trachten, met een voorbeeld te beginnen. Nemen wij de Duitsers. Ik hoop, dat gij niet zult ontkennen, dat hun organisatie de menigte omvat, dat alles van de menigte uitgaat, dat de arbeidersbeweging geleerd heeft op eigen voeten te staan? En hoe weet intussen deze miljoenenmenigte hun “tiental” beproefde politieke leiders op prijs te stellen, hoe gesloten staat zij achter hen! In het parlement is het herhaaldelijk voorgekomen, dat de afgevaardigden van vijandelijke partijen de socialisten tergden: “Mooie democraten zijt gij! Slechts in woorden hebt gij een beweging van de arbeidersklasse, — maar in werkelijkheid treedt steeds hetzelfde gezelschap leiders op, steeds dezelfde Bebel, steeds dezelfde Liebknecht, jaar-in, jaar-uit, van het ene tiental jaren in het andere. Ja, uw z.g. gekozen arbeidersvertegenwoordigers zijn nog minder afzetbaar dan de door de keizer benoemde ambtenaren!” Maar de Duitsers hadden slechts de minachtende glimlach over voor deze demagogische pogingen om de “leiders” tegenover de “menigte” te stellen, bij de laatste slechte en lage instincten wakker te roepen, de beweging van haar weerstandsvermogen en stevigheid te beroven door het vertrouwen van de massa in het “tiental knapperds” te ondermijnen. De politieke gedachte is bij de Duitsers reeds voldoende ontwikkeld, er is bij hen voldoende politieke ervaring vergaard om te begrijpen, dat er zonder het “tiental” talentvolle (en talenten komen niet bij honderden tegelijk ter wereld), beproefde, in hun beroep volleerde en vele jaren lang geschoolde leiders, die uitstekend op elkaar zijn ingesteld, in de moderne maatschappij geen taaie strijd van enigerlei klasse kan bestaan. De Duitsers hebben ook in hun midden demagogen gezien, die de “honderd domkoppen” vleiden, door hen boven de “tien knapperds” te plaatsen, die de “vereelte vuisten” van de massa vleiden, ze (zoals Most of Hasselmann) tot ondoordachte revolutionaire” acties ophitsten en wantrouwen tegen de beproefde en standvastige leiders zaaiden. En slechts dank zij de onverschrokken en onverzoenlijke strijd tegen alle mogelijke demagogische elementen binnen het socialisme is het Duitse socialisme zo gegroeid en sterk geworden. En onze “wijzen” verkondigen in een periode, waarin de gehele crisis van de Russische sociaaldemocratie daardoor verklaard wordt, dat de elementair ontwaakte massa’s geen voldoende geschoolde, ontwikkelde en ervaren leiders bezitten, met de diepzinnigheid van een Jan de domme: “Het is erg, wanneer de beweging niet vanonder op komt!”

“Een comité van studenten deugt niet, het heeft geen weerstandsvermogen”. — Volkomen juist. Maar hieruit volgt, dat er een comité van beroepsrevolutionairen nodig is, onverschillig of een student of een arbeider zich tot beroepsrevolutionair weet op te werken. Gij echter trekt de conclusie, dat de arbeidersbeweging van buiten af geen stoot mag ontvangen! In uw politieke naïveteit bemerkt gij niet eens, dat gij daarmee onze economisten en ons handwerkersgedoe in de hand werkt. Waarin bestond, met uw verlof, de “stoot”, die onze studenten aan onze arbeiders hebben gegeven? Enkel en alleen hierin, dat de student aan de arbeider die brokken politieke kennis bijbracht, die hij zelf bezat, — die kruimels van socialistische ideeën, die hem waren toegevallen (want het voornaamste geestelijke voedsel van de huidige student, het legale marxisme, kon immers niets anders geven dan het A.B.C., dan kruimels). Deze “stoot van buiten af” was niet te sterk voor onze beweging, maar integendeel te zwak, ongehoord gewetenloos zwak, want wij stoofden al te ijverig in eigen vet, bogen al te slaafs voor de elementaire “economische strijd van de arbeiders tegen de ondernemers en de regering”. Deze “stoot” moeten en zullen wij, beroepsrevolutionairen, in honderdmaal sterkere mate geven. Maar juist omdat gij zulk een afschuwelijk woord kiest als “stoot van buiten af”, dat bij de arbeiders (althans bij de arbeider, die even onontwikkeld is als gij zelf) tegen allen, die hem van buiten af politieke kennis en revolutionaire ervaring bijbrengen, onvermijdelijk wantrouwen wekt, — dat de instinctieve wens oproept, zich tegen al deze mensen te verzetten, — juist daarom zijt gij demagogen en de demagogen zijn de ergste vijanden van de arbeidersklasse. standvastige leiders zaaiden. En slechts dank zij de onverschrokken en onverzoenlijke strijd tegen alle mogelijke demagogische elementen binnen het socialisme is het Duitse socialisme zo gegroeid en sterk geworden. En onze “wijzen” verkondigen in een periode, waarin de gehele crisis van de Russische sociaaldemocratie daardoor verklaard wordt, dat de elementair ontwaakte massa’s geen voldoende geschoolde, ontwikkelde en ervaren leiders bezitten, met de diepzinnigheid van een Jan de domme: “Het is erg, wanneer de beweging niet vanonder op komt!”

Ja, ja! Weest niet te haastig met een geschreeuw aan te heffen over de “onkameraadschappelijke methoden” van mijn polemiek! Ik denk er immers volstrekt niet aan de zuiverheid van uw bedoelingen in twijfel te trekken; ik heb reeds gezegd, dat men ook uit politieke naïveteit alleen een demagoog kan worden. Maar ik heb aangetoond, dat gij tot demagogie zijt vervallen. En nooit zal ik ophouden te herhalen, dat demagogen de ergste vijanden van de arbeidersklasse zijn. De ergste, juist omdat zij de laagste instincten van de menigte wakker roepen, omdat onontwikkelde arbeiders onmogelijk deze vijanden kunnen onderscheiden, die optreden en soms oprecht optreden als hun vrienden. De ergste — omdat in een periode van verwardheid en weifelingen, in een periode, waarin de gestalte van onze beweging zich nog pas begint te vormen, niets gemakkelijker is dan demagogisch de menigte met zich mee te slepen, die dan eerst door de bitterste ervaringen van haar dwaling kan worden overtuigd. Ziehier waarom voor de moderne Russische sociaaldemocraat de vastberaden strijd zowel tegen de “Swoboda” als tegen de “Rabotsjeje Djelo”, die beide tot demagogie vervallen, de leuze van het moment meet zijn. (Hierover zal hieronder nog uitvoerig worden gesproken). [14]

“Tien knapperds kunnen gemakkelijker worden gepakt dan honderd domkoppen”. Deze schitterende waarheid (waarvoor U steeds honderden domkoppen zullen toejuichen) schijnt daarom alleen van zelf te spreken, omdat gij in de loop van uw uiteenzettingen van de ene kwestie op de andere zijt overgesprongen. Gij zijt begonnen met over het oppakken van het “comité”, het oppakken van de “organisatie” te spreken en thans zijt gij op de kwestie van het oppakken van de “wortel” van de beweging “in de diepte” overgesprongen. Natuurlijk, onze beweging kan men niet oppakken, omdat zij duizenden en nog eens duizenden wortels in de diepte heeft, maar daar gaat het immers in het geheel niet om. In de zin van de “wortels in de diepte” kan men ons ook thans niet “oppakken”, ondanks al ons handwerkersgedoe, maar niettemin klagen wij allen en moeten wij klagen over het oppakken van de “organisaties”, dat iedere aaneengeschakeldheid van de beweging vernielt. Wanneer gij echter de kwestie van het oppakken van de organisaties stelt en daarvan niet afwijkt, dan wil ik U zeggen, dat het veel moeilijker is, tien verstandigen op te pakken dan honderd domkoppen. En ik zal deze stelling verdedigen, hoezeer gij de menigte ook tegen mijn “anti-democratisme” enz. moogt ophitsen. Onder de “verstandigen” moet men, zoals ik reeds herhaaldelijk heb onderstreept, in organisatorisch opzicht slechts de beroepsrevolutionairen verstaan, onverschillig of zij zich uit studenten of uit arbeiders hebben ontwikkeld. Welnu ik beweer:
(1) dat geen enkele revolutionaire beweging duurzaam kan zijn zonder een organisatie van leiders met weerstandsvermogen en die de continuïteit bewaart;
(2) hoe breder de massa is, die elementair in de strijd wordt betrokken, die de grondslag van de beweging vormt en daaraan deelneemt, des te dringender is zulk, een organisatie noodzakelijk en des te steviger moet zij zijn (want des te gemakkelijker zal het allerlei demagogen vallen om de onontwikkelde lagen van de massa mee te slepen);
(3) dat zulk een organisatie in hoofdzaak moet bestaan uit mensen, die zich bij wijze van beroep met de revolutionaire werkzaamheid bezig houden;
(4) dat hoe meer wij in een absolutistisch land het ledenbestand van zulk een organisatie beperken, alleen tot zulke leden, die zich bij wijze van beroep met revolutionaire actie bezig houden en die in de kunst van de strijd tegen de politieke politie hun beroepsopleiding hebben verkregen, des te moeilijker het “oppakken” van zulk een organisatie zijn zal, en
(5) — des te breder zal het bestand aan personen, zowel uit de arbeidersklasse als ook uit de overige klassen van de maatschappij zijn, die de mogelijkheid zullen hebben om aan de beweging deel te nemen en daarin actief te werken.

Ik stel onze economisten, terroristen en “economisten-terroristen” voor [15], deze stellingen, waarvan ik de twee laatste dadelijk zal behandelen, te weerleggen. De vraag of het gemakkelijker is, “tien verstandigen” dan “honderd domkoppen” op te pakken, komt op de hierboven geanalyseerde vraag neer of bij de noodzakelijkheid van de strengste conspiratie een massale organisatie mogelijk is. Een brede organisatie zullen wij nooit op die conspiratieve hoogte kunnen brengen, zonder welke er van een taaie en ononderbroken strijd tegen de regering geen sprake kan zijn. En het concentreren van alle conspiratieve functies in handen van een 20 klein mogelijk aantal beroepsrevolutionairen betekent geenszins, dat deze laatsten “voor allen zullen denken”, dat de menigte geen werkzaam aandeel aan de beweging zal nemen. Integendeel: deze beroepsrevolutionairen zullen in een steeds groter aantal uit de menigte voortkomen, want de menigte zal dan weten, dat het onvoldoende is, om enige studenten en de economische strijd voerende arbeiders bijeen te brengen, om een “comité” te vormen, maar dat het noodzakelijk is zich door de jaren heen tot beroepsrevolutionairen op te werken, en de massa zal niet enkel aan handwerkersgedoe “denken”, maar juist aan dit zich opwerken. De centralisatie van de conspiratieve functies van de organisatie betekent geenszins de centralisatie van alle functies van de beweging. De actieve medewerking van de meest brede massa’s aan de illegale literatuur zal niet verminderen, maar tien keer sterker worden, wanneer een “tiental” beroepsrevolutionairen de conspiratieve functies van deze zaak centraliseren. Z en zo alleen zullen wij bereiken, dat het lezen van de illegale literatuur, het medewerken daaraan, ten dele ook het verspreiden daarvan, bijna zullen ophouden een conspiratieve aangelegenheid te zijn, want de politie zal spoedig de onzinnigheid en onmogelijkheid inzien van de gerechtelijke en administratieve rompslomp naar aanleiding van elk exemplaar van in duizenden verspreide geschriften. En dit geldt niet alleen voor de pers, maar ook voor alle functies van de beweging, met inbegrip van de demonstraties. Niet alleen zal er geen afbreuk worden gedaan aan de meest actieve en brede deelname van de massa’s aan de beweging, integendeel zij zal er veel bij winnen, wanneer een “tiental” beproefde, niet slechter dan onze politie vakkundig geschoolde revolutionaire!!, geheel de conspiratieve kant van de zaak centraliseren, zoals het vervaardigen van vlugschriften, het bij benadering opstellen van een plan, het aanwijzen van een afdeling leiders voor ieder stadsdistrict, voor iedere inrichting van onderwijs, enz. (ik weet, dat men mij het “ondemocratische” van mijn opvattingen zal tegenwerpen, maar ik zal op deze helemaal niet verstandige tegenwerpingen hieronder uitvoerig antwoorden). De centralisatie van de meest conspiratieve functies door een organisatie van revolutionairen zal geen verzwakkende, maar een verrijkende uitwerking hebben op de omvang en de inhoud van de werkzaamheid van een ganse menigte van andere organisaties, die op een breed publiek zijn berekend en daarom zo los mogelijk en zo min mogelijk conspiratief zijn: zowel de arbeidersvakbonden als ook de arbeiderskringen voor zelfontwikkeling en het lezen van illegale literatuur, de socialistische en ook de democratische kringen in alle overige lagen van de bevolking, enz., enz. Zulke kringen, bonden en organisaties zijn overal noodzakelijk, in een zo groot mogelijk aantal en met de meest verschillende functies, maar het is zinloos en schadelijk, ze met de organisatie van de revolutionairen te verwisselen, de grenzen tussen hen uit te wissen, in de massa het toch al ongelooflijk troebel geworden bewustzijn te verdoezelen, dat voor het “bedienen” van de massale beweging mensen nodig zijn, die zich speciaal geheel"en al wijden aan de sociaaldemocratische werkzaamheid en dat deze mensen zich met geduld en volharding tot beroepsrevolutionairen moeten scholen.

Ja, dit begrip is ongelooflijk vertroebeld. Onze hoofdzonde in organisatorisch opzicht is, dat wij door ons handwerkers-gedoe het prestige van de revolutionairen in Rusland hebben verloren. Slap en weifelend in theoretische vraagstukken, met een enge horizon, zich ter rechtvaardiging van zijn slapheid op de elementaire beweging van de massa’s beroepend, meer gelijkend op een trade-union-secretaris dan op een volkstribuun, niet in staat tot het opstellen van een breed en stoutmoedig plan, dat ook de tegenstanders achting zou inboezemen, onervaren en onhandig in de kunst van zijn beroep, — in de strijd tegen de politieke politie, — waarlijk! dat is geen revolutionair, maar de een of andere beklagenswaardige handwerker! functies van de beweging, met inbegrip van de demonstraties. Niet alleen zal er geen afbreuk worden gedaan aan de meest actieve en brede deelname van de massa’s aan de beweging, integendeel zij zal er veel bij winnen, wanneer een “tiental” beproefde, niet slechter dan onze politie vakkundig geschoolde revolutionaire!!, geheel de conspiratieve kant van de zaak centraliseren, zoals het vervaardigen van vlugschriften, het bij benadering opstellen van een plan, het aanwijzen van een afdeling leiders voor ieder stadsdistrict, voor iedere inrichting van onderwijs, enz. (ik weet, dat men mij het “ondemocratische” van mijn opvattingen zal tegenwerpen, maar ik zal op deze helemaal niet verstandige tegenwerpingen hieronder uitvoerig antwoorden). De centralisatie van de meest conspiratieve functies door een organisatie van revolutionairen zal geen verzwakkende, maar een verrijkende uitwerking hebben op de omvang en de inhoud van de werkzaamheid van een ganse menigte van andere organisaties, die op een breed publiek zijn berekend en daarom zo los mogelijk en zo min mogelijk conspiratief zijn: zowel de arbeidersvakbonden als ook de arbeiderskringen voor zelfontwikkeling en het lezen van illegale literatuur, de socialistische en ook de democratische kringen in alle overige lagen van de bevolking, enz., enz. Zulke kringen, bonden en organisaties zijn overal noodzakelijk, in een zo groot mogelijk aantal en met de meest verschillende functies, maar het is zinloos en schadelijk, ze met de organisatie van de revolutionairen te verwisselen, de grenzen tussen hen uit te wissen, in de massa het toch al ongelooflijk troebel geworden bewustzijn te verdoezelen, dat voor het “bedienen” van de massale beweging mensen nodig zijn, die zich speciaal geheel en al wijden aan de sociaaldemocratische werkzaamheid en dat deze mensen zich met geduld en volharding tot beroepsrevolutionairen moeten scholen.

Laat geen practicus mij dit scherpe woord euvel duiden, want voor zover het om gebrekkige scholing gaat, pas ik het in de eerste plaats op mij zelf toe. Ik werkte in een studiekring, die zich een zeer brede, allesomvattende taak had gesteld; — en wij allen, de leden van deze kring, moesten onder het smartelijke, ja kwellende bewustzijn lijden, dat wij allen handwerkers bleken te zijn op een historisch moment, toen het mogelijk ware geweest met een geringe wijziging van een bekende uitspraak [16], te zeggen: geeft ons een organisatie van revolutionairen — ”wij zullen Rusland bewegen! En hoe veelvuldiger ik sindsdien aan dit gloeiende gevoel van schaamte moest terugdenken, dat ik toen ondervond, des te meer bitterheid hoopte zich in mij op tegen die pseudo-sociaaldemocraten, die door hun propaganda “het beroep van revolutionair schandvlekken”, — die niet begrijpen, dat het onze taak is, — niet voor het degraderen van de revolutionair tot een handwerker op te komen, maar de handwerkers tot het peil van’ revolutionairen op te heffen.

D) DE OMVANG VAN HET ORGANISATORISCHE WERK.

Wij hebben hierboven van B.w gehoord “over het gebrek aan voor de actie geschikte revolutionaire krachten, dat zich niet alleen in Petersburg, maar ook in geheel Rusland doet gevoelen”. En bezwaarlijk zal iemand dit feit willen betwisten. De vraag is echter, hoe moet men het verklaren? — B.w. schrijft: —

“Wij zullen niet op het verklaren van de historische oorzaken van dit verschijnsel ingaan; wij willen slechts zeggen, dat de door de langdurige politieke reactie gedemoraliseerde en door de economische veranderingen, die zich hebben voltrokken en nog steeds voltrekken, verbrokkelde beschaafde kringen uit naar midden een uiterst gering aantal mensen voortbrengen, die voor het revolutionaire werk geschikt zijn; dat de arbeidersklasse door het voortbrengen van arbeiders-revolutionairen ten dele de rijen van de illegale organisaties aanvult, — maar dat het aantal dezer revolutionairen niet aan de vereisten van de tijd beantwoordt. Des te meer omdat de arbeider die dagelijks 11 uur in de fabriek bezig is, als gevolg van zijn toestand in hoofdzaak de functie van agitator kan uitoefenen, maar propaganda en organisatie, het verspreiden en het vermenigvuldigen van illegale literatuur, het uitgeven van proclamaties, enz., komen noodgedwongen in hoofdzaak aan een uiterst gering aantal intellectuele krachten ten laste”. (“Rabotsjeje Djelo”, Nr. 6, blz. 38-39).

Wij zijn het op vele punten niet met deze opvatting van B.w. eens, in het bijzonder niet met de door ons onderstreepte woorden die bijzonder plastisch aantonen, dat B.w. die (zoals in het algemeen iedere practicus, die even nadenkt) onder ons handwerkersgedoe lijdt, omdat hij onder de druk van het economisme staat, geen uitweg uit de ondragelijke toestand kan vinden. Neen, de beschaafde kringen brengen zeer veel mensen voort, die voor de “zaak” geschikt zijn, maar wij weten hen niet allen te gebruiken. Het critieke overgangsstadium van onze beweging kan in het onderhavige verband worden geformuleerd met de woorden: er is gebrek aan mensen en er zijn mensen in massa aanwezig. Er zijn mensen in massa aanwezig, omdat de arbeidersklasse en steeds meer verschillende lagen van de maatschappij elk jaar steeds meer en meer ontevredenen voortbrengen, die willen protesteren, die bereid zijn de grootste steun te verlenen aan de strijd tegen het absolutisme, welks ondragelijkheid nog niet door allen wordt ingezien, maar door steeds bredere massa’s steeds scherper wordt gevoeld. En terzelf der tijd heerst er gebrek aan mensen, omdat er geen leiders zijn, geen politieke aanvoerders, geen organisatorische talenten, geschikt om zulk een omvangrijk en tegelijkertijd onverdeeld en harmonisch werk te organiseren” dat daartoe iedere, ook de minst betekenende kracht kan worden gebruikt. “De groei en de ontwikkeling van de revolutionaire organisaties” blijft niet alleen bij de groei van de arbeidersbeweging ten achter, hetgeen ook B.w. erkent, maar ook bij de groei van de algemeen-democratische beweging onder alle lagen van het volk. (Intussen zou B.w. ook dit thans waarschijnlijk als aanvulling van zijn redenering erkennen). De omvang van de revolutionaire arbeid is vergeleken bij de brede, elementaire grondslag van de beweging te bekrompen, te zeer door de armzalige theorie van de “economische strijd tegen de ondernemers en de regering” in verdrukking gebracht. Intussen moeten in de tegenwoordige tijd niet alleen de politieke agitatoren, maar ook de sociaaldemocratische organisatoren “onder alle klassen van de bevolking gaan” [17]). En zal ook maar een man van de praktijk in twijfel willen trekken, dat de sociaaldemocraten duizenden aparte functies van hun organisatorische werk onder afzonderlijke vertegenwoordigers van de meest verschillende klassen zouden kunnen verdelen? De ontoereikende specialisering, waarover B.w. zich zo bitter en zo terecht beklaagt, is een van de grootste gebreken van onze techniek. Hoe kleiner de afzonderlijke “operaties” van de algemene zaak zullen zijn, des te eerder kan men mensen vinden, die in staat zijn om zulke operaties te volbrengen (en die meestal absoluut niet in staat zijn om beroepsrevolutionairen te worden) en des te moeilijker zal het de politie vallen, al deze “detailwerkers” “op te pakken”, des te moeilijker zal het haar vallen uit het oppakken van een persoon wegens de een of andere kleinigheid een “proces” in elkaar te zetten, dat de staatskosten voor de “Ochrana” dekt. En wat betreft het aantal personen, dat bereid is om ons te steunen, — wij hebben reeds in het voorafgaande hoofdstuk gewezen op de geweldige verandering, die zich sinds ongeveer vijf jaar in dit opzicht heeft voltrokken. Maar aan de andere kant is juist een vaste organisatie van beproefde revolutionairen nodig om al deze kleine deeltjes tot een geheel samen te vatten, om niet de functies van de beweging zelf te versplinteren en om aan hem, die met een kleine functie is belast, het geloof in de noodzakelijkheid en de betekenis van zijn werk te geven, zonder hetwelk hij ook nimmer zal werken [18]). Onder een dergelijke organisatie zal het geloof in de kracht van de partij des te sterker worden en zich des te verder uitbreiden, hoe conspiratiever deze organisatie zal zijn, — en zoals men weet, is het in de oorlog het meest van belang, niet slechts aan het eigen leger, maar ook aan de vijand en aan alle neutrale elementen geloof in zijn eigen kracht in te boezemen; een welwillende neutraliteit kan soms voor de zaak beslissend zijn. Bij een dergelijke organisatie, die op een vaste theoretische basis staat en over een sociaaldemocratisch orgaan beschikt, zal men in het geheel niet behoeven te vrezen, dat de talrijke, in het werk betrokken elementen “uit vreemde kringen” de beweging van haar weg zullen afbrengen (integendeel: juist nu het werk bij wijze van handwerk wordt verricht, nemen wij waar, dat vele sociaaldemocraten tot de weg van het “Credo” worden aangetrokken en zich slechts verbeelden, dat zij sociaaldemocraten zijn). In een woord: het specialiseren veronderstelt noodzakelijkerwijs het centraliseren en eist dit op zijn beurt onvoorwaardelijk.

Doch B.w. zelf, die de volle noodzakelijkheid van het specialiseren zo voortreffelijk heeft geschetst, hecht er o.i. in het tweede gedeelte van zijn aangehaalde uiteenzettingen niet voldoende waarde aan. Het aantal revolutionairen uit arbeiderskringen is, zegt hij, ontoereikend. Dit is zeer juist en wij leggen er wederom de nadruk op, dat de “waardevolle mededeling van iemand, die de zaak van nabij beschouwd heeft”, onze opvatting van de oorzaken der huidige crisis in de sociaaldemocratie bijgevolg ook van de middelen om ze te genezen, volkomen bevestigt. Niet slechts blijven de revolutionairen in het algemeen, bij de elementair-aanzwellende massabeweging ten achter, maar ook de revolutionairen uit arbeiderskringen blijven bij de elementair-aanzwellende beweging van de arbeidersmassa’s ten achter. En dit feit bevestigt op de meest aanschouwelijke wijze, zelfs vanuit “praktisch” standpunt, niet slechts de onzinnigheid, maar ook het politiek reactionaire wezen van de “pedagogiek”, die men ons zo dikwijls bij de bespreking van onze plichten ten aanzien van de arbeiders opdist. Dit feit getuigt, dat het onze allereerste, allerdringendste plicht is, steun te verlenen aan het scholen van arbeiders-revolutionairen, die met betrekking tot de partijwerkzaamheid op hetzelfde peil staan als de intellectuelen-revolutionairen (wij onderstrepen de woorden: met betrekking tot de partijwerkzaamheid, want op ander gebied is het voor de arbeiders wel noodzakelijk, dat zij ditzelfde peil bereiken, maar is dit geenszins zo gemakkelijk en niet zo dringend). Daarom moet de voornaamste aandacht worden gericht op het verheffen van de arbeiders tot het peil van de revolutionairen en geenszins daarop, dat men zelf onvoorwaardelijk tot de “arbeidersmassa” afdaalt, zoals de economisten willen, of tot de “doorsneearbeiders”, zoals de “Swoboda” wenst (die op dit punt de tweede trap van de economische “paedagogiek” beklimt). De gedachte ligt mij verre de noodzakelijkheid te loochenen van populaire literatuur voor arbeiders en van bijzonder populaire (alleen natuurlijk niet van boulevardliteratuur) voor bijzonder achterlijke arbeiders. Maar ik erger mij over dat voortdurend binnenslepen van de pedagogiek in politieke en organisatorische vraagstukken. Gij heren, die U zo zeer bezorgd maakt over de “doorsneearbeiders”, beledigt in wezen veeleer de arbeiders door uw wens, U onvoorwaardelijk neer te buigen, alvorens gij over arbeiderspolitiek en arbeidersorganisatie begint te spreken. Spreekt toch ronduit over ernstiger dingen, laat de pedagogiek aan de pedagogen over en verschoont daarvan de politici en de organisatoren! Zijn er soms onder de intellectuelen ook geen vooraanstaande elementen, “doorsneemensen” en een “massa”?. Wordt soms voor de intellectuelen ook niet door allen de noodzakelijkheid van populaire literatuur erkend en wordt deze literatuur niet geschreven? Maar stelt u eens voor, dat in een artikel over de organisatie van studenten of gymnasiasten, de schrijver, alsof het een soort ontdekking was, gaat herkauwen, dat er in de eerste plaats een organisatie van “doorsneestudenten” nodig is. Zulk een schrijver zou men zeker uitlachen en terecht. Geeft ons toch, zou men hem zeggen, organisatiedenkbeelden, als ge die hebt, en dan zullen wij zelf wel zien, wie van ons een “doorsneemens” is, wie hoger en wie lager staat. Hebt gij echter geen eigen organisatiedenkbeelden, — dan is al uw geredeneer over “massa” en “doorsneemensen” eenvoudig vervelend. Begrijpt toch, dat de vraagstukken van de “politiek” en de “organisatie” zelf al zo ernstig zijn, dat men daarover niet anders dan volkomen ernstig behoort te spreken; men kan en moet de arbeiders (en ook de studenten en gymnasiasten) opleiden om met hen over deze vraagstukken te kunnen spreken; wanneer gij echter eenmaal zijt begonnen daarover te spreken, geeft dan werkelijke antwoorden, kruipt niet weg achter de “doorsneemensen” of de “massa”, tracht niet, hen met grappen of frasen af te schepen.[19]

De arbeider-revolutionair moet voor zijn algehele opleiding voor de zaak eveneens beroepsrevolutionair worden. Daarom heeft B.w. ongelijk, wanneer hij zegt, dat aangezien de arbeider elf-en-een-half uur in de fabriek bezig is, de overige revolutionaire functies (buiten de agitatie) “met hun volle gewicht noodgedwongen aan een uiterst gering aantal intellectuele krachten ten laste komen”. Dit geschiedt in het geheel niet “noodgedwongen”, maar tengevolge van onze achterlijkheid, omdat wij ons niet bewust zijn, iedere zich door zijn bekwaamheden onderscheidende. arbeider te helpen een beroepsagitator, beroepsorganisator, beroepspropagandist, verspreider, enz., enz., te worden. In dit opzicht plegen wij werkelijk schandelijke roofbouw op onze krachten, — wij verstaan het niet met datgene, wat bijzonder zorgvuldig moet worden verzorgd, opgekweekt, behoedzaam om te gaan. Ziet naar de Duitsers: zij hebben honderdmaal meer krachten dan wij, maar zij begrijpen uitstekend, dat werkelijk begaafde agitatoren, enz. volstrekt niet in groten getale uit de “doorsneemensen” voortkomen. Daarom streven zij er naar om terstond iedere begaafde arbeider in zulke verhoudingen te brengen, waaronder zijn bekwaamheden hun volledige ontwikkeling en volledige toepassing kunnen vinden: men maakt hem tot beroepsagitator, men brengt hem er toe, het terrein van zijn werkzaamheid te verbreden, deze uit te breiden van een fabriek over een gehele tak van bedrijven, van een plaats over het ganse land. Hij verwerft ervaring en handigheid in zijn beroep, hij verbreedt zijn gezichtskring en zijn kennis, hij slaat op de voorgrond tredende politieke leiders uit andere streken en andere partijen van nabij gade, hij tracht eveneens zulk een hoogte te bereiken en de kennis van het arbeidersmilieu en de frisheid van de socialistische overtuiging in zich te verenigen met die voor zijn beroep nodige zending, zonder welke het proletariaat de hardnekkige strijd tegen de voortreffelijk geschoolde rijen van zijn vijanden niet kan voeren. Zo en zo alleen zijn uit de arbeidersmassa’s de Bebel’s en Auer’s opgekomen. Maar wat in een politiek vrij land voor een aanzienlijk gedeelte van zelf gebeurt, dat moet bij ons stelselmatig door onze organisaties worden volbracht. Een enigszins talentvol en “veelbelovende” agitator uit de arbeidersklasse moet niet elf uren in de fabriek werken. Wij moeten er voor zorgen, dat hij van partijmiddelen leeft, dat hij in staat is, tijdig in de illegaliteit te gaan en dikwijls de plaats van werkzaamheid te wisselen, want anders zal hij geen grote ondervinding kunnen opdoen, zijn gezichtskring niet kunnen uitbreiden, de strijd tegen de gendarmen niet minstens enige jaren kunnen volhouden. Hoe breder en dieper de elementaire beweging van de arbeidersmassa aanzwelt, des te menigvuldiger brengen zij niet alleen talentvolle agitatoren voort, maar ook talentvolle organisatoren, propagandisten en “practici” in de goede zin van het woord (van wie er onder onze, naar Russische aard voor een groot deel ietwat slordige en weinig beweeglijke intellectuelen zo weinigen te vinden zijn). Wanneer wij groepen speciaal geschoolde revolutionairen zullen hebben uit de arbeidersklasse, die een lange leertijd hebben doorlopen (en bovendien natuurlijk revolutionairen “van alle wapenen”), — dan zal geen politieke politie ter wereld het met deze groepen kunnen klaar spelen, want deze, de revolutie onvoorwaardelijk toegewijde mensen, zullen ook onvoorwaardelijk het vertrouwen van de breedste arbeidersmassa’s genieten. En het is rechtstreeks onze schuld, dat wij de arbeiders te weinig op deze weg van de beroepsrevolutionaire leerschool “stoten”, die ze met de “intellectuelen” gemeen hebben, dat wij hen door onze domme praatjes, over hetgeen voor de arbeiders voor de “doorsneearbeiders” enz. “toegankelijk” is, te dikwijls achteruit trekken.

Op dit punt, evenals op andere punten, staat de beperkte omvang van het organisatorische werk in een ontwijfelbaar en onafscheidelijk (zij het ook door de overweldigende meerderheid van de “economisten” en de beginnende practici niet begrepen) In verband met het inkrimpen van onze theorie en onze politieke opgaven. Het buigen voor de elementaire beweging roept een zekere angst te voorschijn, om ook maar een schrede ver af te wijken van wat voor de massa “toegankelijk” is, — de vrees om zich te hoog boven het eenvoudige werk voor de naastbij liggende en rechtstreekse behoeften van de massa te verheffen. Vreest niet, mijne heren! Denkt er aan, dat wij in organisatorisch opzicht zo laag staan, dat reeds de gedachte op zichzelf onzinnig is, dat wij ons te hoog zouden kunnen verheffen.

E) DE “SAMENZWEERDERS”-ORGANISATIE EN HET “DEMOCRATISME”

Maar er zijn bij ons zeer veel mensen, die zo gevoelig zijn voor de “stem des levens”, dat zij juist daarvoor de grootste angst hebben, waarbij zij degenen, die de hier ontvouwde opvattingen delen, beschuldigen, dat zij “Volkswil”-opvattingen hebben, het “democratisme” niet begrijpen, enz. Bij deze beschuldigingen, die, zoals vanzelf spreekt, ook de “Rabotsjeje Djelo” heeft overgenomen, moeten wij stilstaan.

Het is de schrijver van deze regelen zeer wel bekend, dat de Petersburgse economisten reeds de “Rabotsjaja Gazeta” van “Volkswil”-opvattingen beschuldigen (hetgeen ook begrijpelijk is, wanneer men ze met de “Rabotsjaja Mysl” vergelijkt). Wij waren derhalve in het minst niet verwonderd, toen spoedig na het verschijnen van de “Iskra” een kameraad ons meedeelde, dat de sociaaldemocraten van de stad X, de “Iskra” een orgaan van de “Volkswil”-richting noemden. Deze beschuldiging was voor ons natuurlijk slechts vleiend, want welk behoorlijk sociaaldemocraat werd door de economisten niet van “Volkswil”-opvattingen beschuldigd?

Misverstanden van tweeërlei aard verwekken die beschuldigingen. Ten eerste kent men bij ons de geschiedenis van de revolutionaire beweging z slecht, dat men iedere gedachte aan een gecentraliseerde strijdorganisatie, die het tsarisme vastberaden de oorlog verklaart, “Volkswil”-opvatting noemt. Maar de uitstekende organisatie, die de revolutionairen van de jaren 70 hadden en die ons allen als voorbeeld moest strekken, werd in het geheel niet geschapen door de groep van de “Volkswil”, maar door de aanhangers van “Land en Vrijheid”, die zich in de partijen “Zwarte Verdeling” en “Volkswil” splitsten. Het is dus zowel historisch als logisch zinloos, in een revolutionaire strijdorganisatie een bijzondere karaktertrek van de aanhangers van de “Volkswil” te zien, want geen revolutionaire richting kan het zonder zulk een organisatie stellen, indien zij slechts werkelijk aan een ernstige strijd denkt. De fout van de aanhangers van de “Volkswil” bestond niet hierin, dat zij hun best deden om alle ontevredenen tot hun organisatie aan te trekken en deze organisatie op een energieke strijd tegen het absolutisme te richten. Daarin ligt integendeel hun grote historische verdienste. Hun fout bestond evenwel hierin, dat zij op een theorie steunden, die in het wezen van de zaak helemaal geen revolutionaire theorie was en dat zij hun beweging niet met de klassenstrijd in de zich ontwikkelende kapitalistische maatschappij vermochten te verbinden. En slechts het grofste wanbegrip van het marxisme (of de “opvatting” daarvan in de geest van het “Stroewisme”) kon de opvatting doen ontstaan, dat het ontstaan van een massale elementaire arbeidersbeweging ons van de plicht ontslaat een even goede organisatie van revolutionairen te scheppen als de aanhangers van “Land en Vrijheid” bezaten, ja een nog onvergelijkelijk veel betere organisatie. Integendeel, deze beweging legt ons deze verplichting juist op, want de elementaire strijd van het proletariaat zal niet tot werkelijke “klassenstrijd” worden, zolang deze strijd niet door een sterke organisatie van revolutionairen zal worden geleid.

Ten tweede begrijpen velen — en onder hen blijkbaar ook B. Kritsjevski (“Rabotsjeje Djelo”, Nr. 10, blz. 18) — de polemiek tegen de “samenzweerders”-opvatting van de politieke strijd, die steeds door de sociaaldemocraten is gevoerd, verkeerd. Wij zijn steeds opgekomen en zullen dit natuurlijk steeds doen, tegen het beperken van de politieke strijd tot een samenzwering, maar dit betekent natuurlijk geenszins, dat wij de noodzakelijkheid van een sterke revolutionaire organisatie loochenen. In de brochure bv. die in de noot is genoemd, wordt dan ook, naast de polemiek tegen het terugbrengen van de politieke strijd tot een samenzwering, als sociaaldemocratisch ideaal een organisatie geschetst, die z sterk is, dat zij, “om aan het absolutisme de beslissende slag toe te brengen”, haar toevlucht zou kunnen nemen, zowel tot de “opstand” als tot iedere “andere vorm van aanval” [20]. Volgens haar vorm kan een zo vaste revolutionaire organisatie in een absolutistisch land ook “samenzweerders”-organisatie worden genoemd, want het Franse woord “conspiratie” beantwoordt aan het Russische woord “samenzwering” en de regelen van de conspiratie zijn voor zulk een organisatie in de hoogste mate vereist. Zij zijn voor zulk een organisatie zozeer noodzakelijke voorwaarde, dat alle andere voorwaarden (het ledenaantal, de keuze van de leden, hun functies, enz.) daarmee in overeenstemming moeten worden gebracht. Het zou daarom uiterst naïef zijn, indien wij de beschuldiging zouden vrezen, dat wij, sociaaldemocraten, een samenzweerdersorganisatie willen stichten. Deze beschuldigingen moeten voor iedere vijand van het economisme even vleiend zijn als de beschuldiging van “Volkswil”-gezindheid.

Men zal ons tegenwerpen: zulk een machtige en streng geheime organisatie, die alle draden van de conspiratieve actie in haar handen concentreert, — een organisatie, die noodgedwongen centralistisch moet zijn, kan al te gemakkelijk te vroeg tot de aanval overgaan, kan ondoordacht de beweging verscherpen, vóór dit volgens het aanwassen van de politieke ontevredenheid, krachtens de gisting en verbittering in de arbeidersklasse, enz. mogelijk en noodzakelijk is. Daarop antwoorden wij: abstract gesproken, kan natuurlijk niet worden ontkend, dat een strijdorganisatie tot een ondoordachte strijd kan leiden, die kan uitlopen op een nederlaag, die onder andere omstandigheden geenszins noodzakelijk zou zijn geweest. Maar het is onmogelijk, zich bij zulk een kwestie tot abstracte overwegingen te beperken, want ieder gevecht houdt de abstracte mogelijkheid van een nederlaag in zich besloten en er bestaat geen ander middel om deze mogelijkheid te verminderen, dan de georganiseerde voorbereiding tot het gevecht. Wanneer wij evenwel de kwestie op het concrete terrein van de huidige Russische verhoudingen stellen, dan zullen wij tot de positieve conclusie moeten komen, dat een sterke revolutionaire organisatie absoluut noodzakelijk is, juist om aan de beweging weerstandsvermogen te geven en om haar voor de mogelijkheid van ondoordachte aanvallen te behoeden. Juist nu, bij het ontbreken van een dergelijke organisatie en het snelle elementaire aanwassen van de revolutionaire beweging vertonen zich reeds twee tegenover elkaar staande uitersten (die elkaar, zoals het behoort, ook “raken”): nu eens een volkomen onhoudbaar economisme en een prediken van gematigdheid, dan weer een even onhoudbare “exciterende terreur”, die er naar streeft, “in de beweging, die zich ontwikkelt en sterker wordt, maar nog dichter aan het begin dan aan het einde staat, kunstmatig de verschijnselen van haar einde te verwekken” (W. Zasoelitsj in de “Zarja”, Nr. 2/3, blz. 353). En het voorbeeld van de “Rabotsjeje Djelo” toont, dat er reeds sociaaldemocraten zijn, die voor de beide uitersten capituleren. Zulk een verschijnsel baart, afgezien van de overige oorzaken, ook hierom geen verwondering, omdat de “economische strijd tegen de ondernemers en de regering” de revolutionair nooit zal bevredigen en de tegenovergestelde uitersten steeds nu eens hier dan weer daar zullen opduiken. Slechts een gecentraliseerde strijdorganisatie, die de sociaaldemocratische politiek consequent doorvoert en als-het-ware elk revolutionair instinct en streven bevredigt, is in staat om de beweging voor een ondoordachte aanval te behoeden en een succes belovende aanval voor te bereiden.

Voorts zal men ons tegenwerpen, dat de uiteengezette opvatting van de organisatie in strijd is met het “democratisch beginsel”. Is de voorafgaande beschuldiging van specifiek Russische oorsprong, — de tweede draagt een specifiek buitenlands karakter. En alleen een buitenlandse organisatie (de “Bond van Russische sociaaldemocraten”) kon aan haar redactie onder meer de navolgende instructie geven:

“Het organisatiebeginsel. In het belang van een succesvolle ontwikkeling en vereniging van de sociaaldemocratie moet het brede democratische beginsel worden onderstreept, ontwikkeld en verdedigd, hetgeen met het oog op de, in de rijen van onze partij te voorschijn getreden, anti-democratische strekkingen bijzonder: noodzakelijk is” (“Twee Congressen”, blz. 18).

Hoe de “Rabotsjeje Djelo” tegen de “anti-democratische strekkingen” van de “Iskra” strijdt, dat zullen wij in het volgende hoofdstuk zien. Thans echter willen wij dit “beginsel”, dat door de economisten wordt opgesteld, nader onder de ogen zien. Iedereen zal het er waarschijnlijk over eens zijn, dat het “brede democratische beginsel” de twee volgende noodzakelijke voorwaarden insluit: ten eerste volledige openbaarheid en ten tweede verkiesbaarheid voor alle functies. Zonder openbaarheid en wel een openbaarheid, dié zich niet alleen tot de leden van de organisatie beperkt, zou het belachelijk zijn van democratisme te spreken. Wij noemen de organisatie van de Duitse partij democratisch, want daarin geschiedt alles openlijk, met inbegrip van de zittingen van het Partijcongres; maar niemand zal een organisatie democratisch noemen, die zich tegenover alle niet-leden in een sluier van geheimzinnigheid hult. De vraag is, welke betekenis dus het stellen van het “brede democratische beginsel” heeft wanneer de fundamentele voorwaarden van dit beginsel voor een geheime organisatie onvervulbaar is? Dit “brede beginsel” blijkt eenvoudig een klinkende, maar holle frase te zijn. Nog sterker. Deze frase getuigt van een volledig gebrek aan begrip voor de dringende organisatorische taak van het ogenblik. Allen weten, hoe groot bij ons het heersende gebrek aan conspiratief begrip bij de “brede” massa van de revolutionairen is. Wij hebben gezien, hoe bitter B-w. zich daarover beklaagt, die volkomen terecht een “streng uitkiezen van de leden” eist (“Rabotsjeje Djelo” Nr. 6, blz. 42). En nu komen er mensen, die op hun “gevoel voor het leven” pochen en die bij zulk een stand van zaken niet op de noodzakelijkheid van de strengste conspiratie en het strengste (bij gevolg ook beperkter) uitkiezen van de leden, maar op het “brede democratische beginsel” de nadruk leggen! Dit noemt men: er volkomen naast zijn.

Niet beter staat het ook met het tweede kenmerk van het democratisme, met de verkiesbaarheid. In landen met politieke vrijheid spreekt deze voorwaarde vanzelf. “Als lid van de partij wordt ieder persoon beschouwd, die de beginselen van het partijprogram aanvaardt en de partij naar mate zijner krachten steunt”, — zo luidt de eerste paragraaf van het organisatiestatuut van de Duitse sociaaldemocratische partij. En omdat het gehele politieke strijdperk voor allen even open ligt als het toneel van een schouwburg voor de toeschouwers, is dit aanvaarden of niet aanvaarden, steunen of bestrijden, uit kranten als ook uit volksvergaderingen aan allen bekend. Allen weten, dat een bepaald politicus op bepaalde wijze is begonnen, dat hij een bepaalde ontwikkeling heeft doorgemaakt, dat hij op een moeilijk ogenblik van zijn leven zich zus of zo heeft gedragen, dat hij zich in het algemeen door bepaalde kwaliteiten onderscheidt en daarom kunnen natuurlijk alle partijleden zulk een figuur met volledige kennis van zaken voor een bepaalde partijfunctie kiezen of niet kiezen. De (in de letterlijke zin van het woord) algemene controle van elke schrede van een partijman op zijn politiek arbeidsveld schept een automatisch werkend mechanisme, dat datgene tot resultaat heeft, wat in de biologie “voortleven van de best aangepasten” wordt genoemd. De “natuurlijke keuze” door de volle openbaarheid, door de verkiesbaarheid en de algemene controle geeft de zekerheid, dat iedere leider tenslotte “op zijn juiste plaats” staat, dat hij zich belast met het werk, dat zich het meest voor zijn krachten en bekwaamheden eigent, dat hij zelf al de gevolgen van zijn fouten ondergaat en voor aller ogen zijn bekwaamheid bewijst om fouten in te zien en ze te vermijden.

Nu beproeve men eens, dit beeld binnen het raam van ons absolutisme te plaatsen! Is het bij ons denkbaar, dat ieder, “die de beginselen van het partijprogram aanvaardt en de partij naar de mate zijner krachten, steunt”, iedere stap van de revolutionair conspirator controleert? Dat zij allen uit deze revolutionairen een bepaald persoon kiezen, wanneer de revolutionair in het belang van het werk verplicht is, voor negen tienden van deze “allen” te verbergen, wie hij is? Men overdenke toch even de werkelijke betekenis van deze grote woorden van de “Rabotsjeje Djelo” en men zal zien, dat het “brede democratisme” van de partijorganisatie in de duisternis van het absolutisme, onder de heerschappij van de willekeur van de gendarmen, slechts een zinledig en schadelijk speelgoed is. Dit is een zinledig speelgoed, want in werkelijkheid heeft nooit enigerlei revolutionaire organisatie het brede democratisme ten uitvoer gebracht en met de beste wil kan zij dit ook niet doen. Dit is een schadelijk speelgoed, want de pogingen om het “brede democratische beginsel” werkelijk, ten uitvoer te brengen, maken het alleen maar gemakkelijker voor de politie een groot aantal revolutionairen tegelijk te arresteren en zij vereeuwigen het heersende handwerkersgedoe, leiden de aandacht van de mannen van de praktijk van de ernstige en dringende taak af zich tot beroepsrevolutionairen te scholen en richten die op het ontwerpen van uitvoerige “papieren” statuten over kiesstelsels. Alleen in het buitenland, waar niet zelden mensen bij elkaar komen, die geen mogelijkheid hebben om voor zichzelf werkelijke en levende arbeid te vinden, kon hier en daar en in het bijzonder in verschillende kleine groepen dit “spel met het democratisme” tot ontwikkeling komen.

Om de lezer volledig te tonen, welk een slechte kant de door de “Rabotsjeje Djelo” met voorliefde toegepaste methode heeft, — de methode om in de revolutionaire arbeid zulk een schoon “beginsel” als democratisme op te stellen, — willen wij ons weer op een getuige beroepen. Deze getuige, — E. Serebrjakov, de redacteur van het Londense tijdschrift “Nakanoenje”, heeft een groot zwak voor de “Rabotsjeje Djelo” en koestert een sterke haat tegen Plechanov en zijn aanhangers; in de artikelen naar aanleiding van de scheuring in de “Buitenlandse Bond van Russische sociaaldemocraten” heeft de “Nakanoenje” beslist de kant van de “Rabotsjeje Djelo” gekozen en een ganse vloed van scheldwoorden tegen Plechanov los gelaten. Des te groter waarde heeft voor ons deze getuige in de onderhavige kwestie. In Nr. 7 van de “Nakanoenje” (Juli 1899) wees E. Serebrjakov er in het artikel: “Naar aanleiding van de oproep van de Groep voor de zelfbevrijding van de arbeiders” op, dat het “onbehoorlijk” is de kwesties van de “zelfverheffing, de overheersing, van de z.g. areopagus [21] in een ernstige revolutionaire beweging” in bespreking te brengen, waarbij hij o.a. schreef:

“Mysjkin, Rogatsjev, Zjeljabov, Michaïlov, Pjerovskaja, Figner e.a. hebben zich nooit als leiders beschouwd en niemand heeft hen gekozen of benoemd, ofschoon zij dit in werkelijkheid waren, want zowel in de periode van de propaganda als in de periode van de strijd tegen de regering hebben zij de grootste last van het werk op zich genomen, zijn zij naar de gevaarlijkste plaatsen gegaan en hun activiteit was het meest productief. Hun leiderschap was niet het resultaat van hun wensen, maar van het vertrouwen, dat de kameraden uit hun omgeving stelden in hun verstand, hun energie en hun toewijding. Maar vrees koesteren voor de één of andere areopagus (en indien men daar geen vrees voor koestert, waarom schrijft men er over?), die de beweging eigenmachtig zou kunnen leiden, dat is toch al te naïef. Wie zou daar dan naar luisteren?”

Wij vragen de lezer, waarin zich de “areopagus” van de “anti-democratische strekkingen” onderscheidt? En is het dan niet duidelijk, dat het “schone” organisatiebeginsel van de “Rabotsjeje Djelo” evenzeer naïef als onfatsoenlijk is, — naïef, omdat naar de “areopagus” of naar de mensen met “anti-democratische tendenties” eenvoudig niemand zou luisteren, indien “de kameraden in hun omgeving geen vertrouwen in hun verstand, hun energie en toewijding” zouden stellen. Onfatsoenlijk — als demagogische uitval, die speculeert op de ijdelheid van sommigen, op het gebrek aan kennis van de ware toestand van onze beweging bij anderen en op de onvoldoende scholing en onwetendheid ten aanzien van de geschiedenis van de revolutionaire beweging bij derden. Het enige ernstige organisatiebeginsel voor de deelnemers aan onze beweging moet zijn: de strengste conspiratie, de strengste keuze van de leden, de opleiding van beroepsrevolutionairen. Zijn deze kwaliteiten eenmaal aanwezig, — dan is nog iets meer gewaarborgd dan het “democratisme” en wel het volkomen kameraadschappelijke vertrouwen tussen de revolutionairen onderling. En dit is voor ons onvoorwaardelijk noodzakelijk, want over het vervangen daarvan door een democratische algemene controle kan bij ons in Rusland geen sprake zijn. En het ware een grote fout te denken, dat de onmogelijkheid van een werkelijk “democratische” controle de leden van een revolutionaire organisatie oncontroleerbaar zou maken: zij hebben geen tijd om aan speelgoedvormen van het democratisme te denken (democratisme binnen de enge kern van kameraden, die elkaar volkomen vertrouwen), maar hun verantwoordelijkheid gevoelen zij zeer levendig en zij weten daarbij uit ervaring, dat een. organisatie van werkelijke revolutionairen ‘voor geen middel zal terugdeinzen om zich van een ondeugdelijk lid te ontdoen. En bovendien hebben wij een tamelijk ontwikkelde publieke opinie van de Russische (en de internationale) revolutionaire kringen, die reeds een gehele geschiedenis achter zich heeft en die met meedogenloze hardheid elke overtreding van de kameraadschappelijke plichten straft (en het “democratisme”, het werkelijke, niet het speelgoeddemocratisme, behoort immers tot dit begrip der kameraadschap als een deel tot het geheel!) Men houde rekening met dit alles — én men zal begrijpen welk een muffe lucht uit deze praatjes en resoluties over de “anti-democratische strekkingen” van emigranten, die in het buitenland voor generaal spelen, opstijgt!

Opgemerkt moet nog worden, dat de andere bron van zulke praatjes, nl. de naïveteit, ook wordt gevoed door de verwardheid van de voorstellingen wat de democratie is. In het boek van het echtpaar Webb over de Engelse trade-unions komt een belangwekkend hoofdstuk voor onder het opschrift: “De primitieve democratie”. De schrijvers vertellen hier, hoe de Engelse arbeiders in het eerste tijdperk van het bestaan hunner bonden het als een noodzakelijk kenmerk van de democratie beschouwden, dat inzake het beheer van de vakbonden alles door allen werd gedaan: niet alleen werden alle kwesties door het stemmen van alle leden beslist, maar ook de functies werden om de beurt door alle leden waargenomen. Er was een lange historische ondervinding nodig vóór de arbeiders het onzinnige van zulk een voorstelling van de democratie en de noodzakelijkheid van vertegenwoordigende lichamen enerzijds en van beroepsfunctionarissen anderzijds hadden begrepen. Enige gevallen van financieel bankroet van vakverenigingskassen waren nodig om de arbeiders te doen begrijpen, dat de kwestie van de verhouding tussen de gestorte bijdragen en de uitbetaalde ondersteuningen niet slechts door democratische stemming kan worden beslist, maar ook het oordeel eist van een verzekeringsdeskundige. Voorts neme men Kautsky’s boek over het parlementarisme en de volkswetgeving — en men zal zien, dat de gevolgtrekkingen van de marxistische theoreticus overeenstemmen met de lessen van de langjarige praktijk van de arbeiders, die zich “op elementaire wijze” hadden aaneengesloten. Kautsky keert zich beslist tegen de primitieve opvatting van de democratie door Rittinghausen, hij bespot de mensen, die bereid zijn om in naam van de democratie te eisen, dat de “volksbladen rechtstreeks door het volk worden geredigeerd”, hij bewijst de noodzakelijkheid van beroepsjournalisten, beroepsparlementariërs, enz. voor de sociaaldemocratische leiding van de proletarische klassenstrijd en valt het “socialisme van de anarchisten en de literatoren” aan, die in hun “jacht naar effect” de rechtstreekse wetgeving door het volk verheerlijken en haar zeer voorwaardelijke aanwendbaarheid in de moderne maatschappij niet begrijpen.

Wie praktisch in onze beweging heeft gewerkt, weet hoe sterk de “primitieve” opvatting van de democratie onder de massa van de studerende jeugd en de arbeiders is verbreid. Geen wonder, dat deze opvatting, zowel in de statuten als ook in de literatuur binnendringt. De economisten van het Bernsteinsoort hebben in hun statuut geschreven: “ 10. Alle aangelegenheden, die de belangen van de gehele bondsorganisatie raken worden door de meerderheid van de stemmen van alle leden beslist”. De economisten van de terroristische soort praten hun na: “het is noodzakelijk, dat de comitébesluiten alle kringen doorlopen, om eerst dan tot werkelijke besluiten te worden” (“Svoboda”, Nr. 1, blz. 67). Men lette er op, dat deze eis van de brede toepassing van het referendum nog boven de eis van de opbouw van de gehele organisatie op het verkiezingsbeginsel wordt gesteld! Natuurlijk ligt ons de gedachte verre, hiervoor de practici te veroordelen, die te weinig gelegenheid hadden om de theorie en praktijk van werkelijke democratische organisaties te leren kennen. Maar wanneer de “Rabotsjeje Djelo”, die op een leidende rol aanspraak maakt, zich onder zulke omstandigheden tot een resolutie over het brede democratische beginsel bepaalt, hoe zou men dit dan niet eenvoudig “jacht naar effect” noemen?

F) HET PLAATSELIJKE EN HET ALGEMEEN-RUSSISCHE WERK

Zijn de tegenwerpingen tegen het hier ontvouwde organisatieplan wegens zijn gebrek aan democratie en zijn samenzweerderskarakter van elke grond ontbloot, — er rest nog een kwestie, die dikwijls wordt gesteld en die een grondige beschouwing verdient. Dit is de kwestie van de verhouding tussen het plaatselijke en het algemeen-Russische werk. Er wordt uiting gegeven aan de vrees: zal het oprichten van een gecentraliseerde organisatie niet leiden tot het verschuiven van het zwaartepunt van het eerste naar het tweede? Zal dit de beweging niet schaden, doordat het de duurzaamheid van onze verbindingen met de arbeidersmassa en in het algemeen de stabiliteit van de plaatselijke agitatie zou verzwakken? Daarop antwoorden wij, dat onze plaatselijke leiders te zeer door het plaatselijk werk in beslag zijn genomen; dat het daarom onvoorwaardelijk noodzakelijk is het zwaartepunt enigszins naar het algemeen-Russische werk te verschuiven; dat zulk een verschuiving zowel de duurzaamheid van onze verbindingen als de standvastigheid van onze plaatselijke agitatie niet zal verzwakken, maar versterken. Nemen wij de kwestie van het Centraal Orgaan en van de plaatselijke organen, waarbij wij de lezer verzoeken niet te vergeten, dat de pers ons slechts als voorbeeld dient, dat het onmetelijk veel omvangrijker en veelzijdiger revolutionaire werk in het algemeen illustreert.

In de eerste periode van de massabeweging (1896 tot 1898) werd door de plaatselijke leiders een poging gedaan een algemeen-Russisch blad uit te geven — de “Rabotsjaja Gazeta”; in de volgende periode (1898 tot 1900) — doet de beweging een geweldige stap voorwaarts, maar de aandacht van de leiders is door de plaatselijke bladen volkomen in beslag genomen. Telt men al deze plaatselijke bladen bij elkaar, dan blijkt,[22] dat op elke maand ongeveer één nummer van een blad komt. Is dit soms niet een aanschouwelijke illustratie van ons handwerkersgedoe? Toont dit soms niet met alle duidelijkheid de achterlijkheid van onze revolutionaire organisatie tegenover de elementaire opleving van de beweging? Wanneer hetzelfde aantal krantennummers niet door verbrokkelde plaatselijke groepen ware uitgegeven, maar door één aaneengesloten organisatie, — dan zouden wij niet alleen zeer veel krachten hebben gespaard, maar ons werk ware ook veel geregelder voortgezet en had een groter weerstandsvermogen gehad. Op deze eenvoudige overweging wordt te dikwijls door de practici die bijna uitsluitend aan plaatselijke kranten actief meewerken (dit is, helaas in verreweg de meeste gevallen ook nu nog zo), als ook door de publicisten, die in deze functie een wonderlijke Don-Quichotterie aan de dag leggen, geen acht geslagen. De practicus pleegt zich gewoonlijk tevreden te stellen met de overweging, dat het voor de plaatselijke leiders te “moeilijk” [23] zou zijn, een algemeen-Russische krant uit te geven en dat plaatselijke bladen beter zijn dan in het geheel geen blad. Dit. laatste argument is natuurlijk volkomen juist en wij blijven bij het erkennen van de geweldige betekenis en het geweldige nut van de plaatselijke bladen in het algemeen bij geen enkelen practicus ten achter. Maar hier gaat het immers niet om; het gaat er om, of men zich niet van de verbrokkeling en het handwerkersgedoe kan bevrijden, — die in de gedurende twee-en-een-half jaar in geheel Rusland verschenen dertig nummers der plaatselijke kranten zo aanschouwelijk tot uiting komen. Men beperke zich dus niet tot, weliswaar onbetwiste, maar te algemene beweringen over het nut van plaatselijke kranten in het algemeen, maar men bezitte ook de moed om de ongunstige kanten daarvan, die de ervaring van twee-en-een-half jaar duidelijk heeft laten zien, openlijk te erkennen. Deze ervaring getuigt, dat plaatselijke kranten in onze verhoudingen meestendeels niet beginselvast blijken te zijn, dat zij politiek zonder betekenis zijn, dat zij, wat betreft het verbruik van revolutionaire krachten, veel te kostbaar en technisch volkomen ontoereikend zijn (ik heb natuurlijk niet de techniek van de druk, maar hun zelden en onregelmatig verschijnen op het oog). En al de genoemde gebreken zijn niet van toevallige aard; zij zijn het onvermijdelijke resultaat van de verbrokkeling, die enerzijds het overwegen van de plaatselijke kranten in de genoemde periode verklaart en anderzijds door dit overwegen wordt bevorderd. Een afzonderlijke plaatselijke organisatie is eenvoudig niet in staat, de beginselvastheid van haar blad te waarborgen en dit op het peil van een politiek orgaan te brengen; zij is ook niet in staat voldoende materiaal voor het belichten van geheel ons politiek leven bijeen te brengen en daarvan gebruik te maken. En het argument, waarmee men de noodzakelijkheid van talrijke plaatselijke bladen in vrije landen pleegt te verdedigen — de geringe kosten bij het drukken door de plaatselijke arbeiders en de snellere en omvangrijker inlichtingen voor de plaatselijke bevolking, — dit argument richt zich bij ons, naar de ervaring aantoont, tegen de plaatselijke bladen. Zij blijken ondragelijk kostbaar te zijn, in de zin van het verbruik van revolutionaire krachten en bijzonder zelden te verschijnen om de eenvoudige reden, dat voor een illegaal blad, hoe klein het ook moge zijn, zulk een reusachtig conspiratief apparaat nodig is, dat het een fabriekmatig grootbedrijf vereist; want in de werkplaats van een handwerker laat zulk een apparaat zich niet tot stand brengen. Het primitieve van het conspiratieve apparaat leidt er telkens weer toe (iedere man van de praktijk kent tal van zulke voorbeelden), dat de politie het verschijnen en het verspreiden van één of twee nummers uitbuit om massa-arrestaties te verrichten, waardoor alles zo schoon geveegd wordt, dat men van voren af aan moet beginnen. Een goed conspiratief apparaat eist een goede beroepsopleiding van de revolutionairen en een met de grootste consequentie toegepaste arbeidsverdeling, maar deze twee eisen gaan de kracht van een afzonderlijke plaatselijke organisatie volkomen te boven, hoe sterk zij op een bepaald ogenblik ook moge zijn. Geheel afgezien nog van de algemene belangen van onze beweging als geheel (de principieel-consequent socialistische en politieke opvoeding van de arbeiders) — worden ook de plaatselijke belangen door niet-plaatselijke organen veel beter gediend: dit schijnt allen op het eerste gezicht een paradox, maar in werkelijkheid wordt het door onze ervaring van twee-en-een-half jaar onweerlegbaar bewezen. Ieder zal toegeven, dat wanneer al de plaatselijke krachten, die dertig nummers van kranten hebben uitgegeven, aan één blad hadden gewerkt, daarvan gemakkelijk zestig, zo geen honderd nummers hadden kunnen verschijnen en dat het bijgevolg ook vollediger alle bijzonderheden van de beweging van zuiver lokaal karakter zou hebben weerspiegeld. Het lijdt geen twijfel dat een dergelijk georganiseerd optreden niet gemakkelijk is, maar het is nodig, dat wij de noodzakelijkheid er van inzien, dat iedere plaatselijke kring daarover nadenkt en actief daaraan werkt, zonder op een stoot van buitenaf te wachten, zonder zich door de toegankelijkheid, de nabijheid van het plaatselijk orgaan van de wijs te laten brengen, die — zoals onze revolutionaire ondervinding bewijst — in hoge mate illusoir blijkt te zijn.

Een slechte dienst wordt aan het praktische werk ook door die publicisten bewezen, die zich verbeelden, dat zij bijzonder dicht bij de mannen van de praktijk staan, — door publicisten, die dit illusoire niet zien en zich met verbazend goedkope en verbazend holle beweringen van de zaak afmaken: plaatselijke kranten zijn nodig, districtskranten zijn nodig, algemeen-Russische kranten zijn nodig. Natuurlijk is dit alles, in het algemeen gesproken, nodig, maar pakt men eenmaal een concrete organisatorische kwestie aan, dan moet men toch ook aan de verhoudingen van het milieu een ogenblik denken. Is het dan soms geen Don Quichotterie wanneer de “Swoboda” (Nr. 1, blz. 68), speciaal “op de kwestie van de krant ingaande”, schrijft:

“Het schijnt ons toe, dat ieder enigszins belangrijk arbeiderscentrum zijn eigen arbeidersblad moet hebben. Niet maar een blad, dat ergens vandaan komt, maar juist zijn eigen blad”.

Wanneer deze publicist over de betekenis van zijn eigen woorden niet wil nadenken, dan moge het althans de lezer in zijn plaats doen: hoeveel tientallen, zo niet honderdtallen, van zulke” enigszins belangrijke arbeiderscentra” zijn er in Rusland en welk een vereeuwiging van ons handwerkersgedoe zou het zijn, indien werkelijk iedere plaatselijke organisatie haar eigen blad wilde uitgeven! Hoe zou deze verbrokkeling de taak van onze gendarmen vergemakkelijken om alle plaatselijke leiders, — en wel zonder “enigszins aanzienlijke” moeite, — reeds in het begin van hun activiteit te vangen, zonder hun eerst de mogelijkheid te geven, werkelijke revolutionairen te worden! In een algemeen-Russische krant, — gaat de schrijver voort, — zouden de beschrijvingen van de intriges van de fabrieksbezitters en de “bijzonderheden van het fabrieksleven in verschillende, vreemde steden” niet interessant zijn, terwijl “het een arbeider uit Orel niet verveelt over zijn eigen Orelse aangelegenheden te lezen. Hij weet dan steeds, wie wordt “aangevallen”, wie wordt “uitgescholden” en zijn hart wordt bewogen” (blz. 69). Ja, ja, het hart van de Orelse arbeider wordt bewogen, maar te bewogen is ook de gedachte van onze publicist. Is deze verdediging van het kruimels zoeken tactisch? — Ziedaar waarover hij zou moeten nadenken. Wij blijven bij niemand ten achter bij het erkennen van de noodzakelijkheid en belangrijkheid van fabrieksonthullingen, maar men moet er aan denken, dat wij reeds zo ver zijn gekomen, dat het voor de Petersburgers vervelend is geworden, de Petersburgse correspondenties van de Petersburgse “Rabotsjaja Mysl” te lezen. Voor fabrieksonthullingen in de afzonderlijke plaatsen hadden wij altijd vlugschriftjes en die zullen er ook in de toekomst blijven, — maar het type van de krant moeten wij op een hoger peil brengen, wij mogen ze niet tot een fabriekskrant degraderen. Voor een “krant” hebben wij onthullingen nodig, niet zo zeer van de “kleinigheden”, als van de grote, typische gebreken van het fabrieksleven, onthullingen, die aan de hand van bijzonder duidelijke voorbeelden worden gedaan, en die daarom in staat zijn, alle arbeiders en alle leiders van de beweging te interesseren, werkelijk hun kennis te verrijken, hun gezichtskring te verbreden en in een nieuw district, in een nieuwe vakgroep van de arbeiders de beweging tot leven te wekken.

“Verder kunnen in de plaatselijke krant alle schurkenstreken van het fabrieksbestuur of van andere autoriteiten terstond op heterdaad worden betrapt. En hoe lang duurt het, eer het bericht in de algemene, ver verwijderde krant komt; tot dan is men ter plaatse reeds lang vergeten, wat er is gebeurd: “Lieve hemel, wanneer was dat ook weer!” (l.c).

Zo is het “Lieve hemel, wanneer was dat ook weer!” In de loop van twee-en-een-half jaar verschenen dertig nummers en zij zijn, naar wij uit dezelfde bron vernemen, over zes steden verdeeld. Dan komt dus gemiddeld voor een stad één nummer van de krant in een half jaar! En zelfs wanneer onze lichtzinnige publicist in zijn veronderstelling de productiviteit van de plaatselijke arbeid verdriedubbelt (hetgeen ongetwijfeld met betrekking tot een gemiddelde stad onjuist zou zijn, want binnen het kader van het handwerkersgedoe is een beduidende uitbreiding van de productiviteit onmogelijk), — dan krijgen wij toch nog maar één nummer in twee maanden, d.w.z. iets, wat helemaal niet lijkt op een “op heterdaad betrappen”. En intussen is het voldoende tien plaatselijke organisaties te verenigen en hun gedelegeerden met actieve functies voor het inrichten van een algemene krant te belasten, — en dan ware het mogelijk, over geheel Rusland niet kleinigheden “te betrappen”, maar daadwerkelijke, in het oog springende en typische wantoestanden één keer in de veertien dagen te onthullen. Dit zal niemand in twijfel trekken, die de toestand in onze organisaties kent. Over het betrappen van de vijand op de plaats van de misdaad kan, wanneer men deze woorden ernstig neemt en niet als enkel schone woorden, een illegale krant in het algemeen niet denken: dit is alleen mogelijk voor een vlugschrift” want de uiterste termijn voor zulk een betrappen gaat meestal één of twee dagen niet te boven (men neme bv. een gewone korte staking, of een vechtpartij in de fabriek, of een demonstratie, enz.).

“De arbeider leeft niet alleen in de fabriek, maar ook in de stad”, — vervolgt onze schrijver, terwijl hij met een strenge consequentie, die Boris Kritsjevski zelf eer zou aandoen, van het bijzondere naar het algemene overgaat. Hij wijst op de vraagstukken van de stedelijke Doema’s, van de stedelijke ziekenhuizen en scholen en hij eist, dat de arbeiderskrant stedelijke aangelegenheden in het algemeen niet stilzwijgend voorbij zal gaan. De eis is op zichzelf beschouwd uitstekend, maar zij illustreert bijzonder aanschouwelijk de inhoudsloze abstractheid, waartoe men zich bij de besprekingen over lokale bladen te dikwijls beperkt. Ten eerste, wanneer werkelijk “in ieder enigszins belangrijk arbeiderscentrum” kranten met een z uitvoerige stadskroniek, als de “Swoboda” wenst, zouden verschijnen/ dan zou dit in onze Russische verhoudingen onvermijdelijk tot een ware kruimelszoekerij ontaarden, — het zou leiden tot verzwakking van het begrip van de belangrijkheid van de algemeen-Russische revolutionaire aanval op het tsaristische absolutisme en tot versterking van de zeer levensvatbare kiemen (die zich eerder verborgen houden of neergedrukt worden, dan met de wortel worden uitgerukt) van de richting, die reeds beroemd is geworden door de befaamde uitspraak over de revolutionairen, die te veel over het niet aanwezige parlement en te weinig over de bestaande stedelijke Doema’s spreken. Wij zeggen “onvermijdelijk” en onderstrepen daarmee, dat de “Swoboda” dit niet bewust wil en juist het tegendeel wenst. Maar goede bedoelingen alleen zijn niet voldoende. Om de betekenis van de stedelijke aangelegenheden in een passend perspectief met ons gehele werk te brengen, is het vooreerst noodzakelijk, dat dit perspectief volledig wordt uitgewerkt en stevig vastgelegd en niet slechts met beweringen alleen, maar ook met talrijke voorbeelden, zodat het reeds de vastheid van een traditie verkrijgt. Z ver zijn wij nog lang niet, dit is evenwel juist het eerst vereist, vóór het ons veroorloofd zal zijn over een brede plaatselijke pers te denken en te praten.

Ten tweede is het, om over stedelijke aangelegenheden werkelijk goed en belangwekkend te schrijven, noodzakelijk deze aangelegenheden nauwkeurig en niet slechts uit boeken te kennen. Maar sociaaldemocraten, die zulk een kennis bezitten, zijn er in geheel Rusland bijna niet te vinden. Om in een krant (en niet in een populaire brochure) over stads- en staatsaangelegenheden te spreken, moet men fris, veelzijdig, door een bekwaam persoon verzameld en bewerkt materiaal bezitten. Maar voor het verzamelen en bewerken van zulk materiaal is de “primitieve democratie” van een primitieve kring, waarin allen alles doen en zich met het referendumspel vermaken, niet toereikend. Hiervoor is een staf van schrijvers-specialisten, correspondenten-specialisten, een leger van sociaaldemocratische verslaggevers nodig, die overal verbindingen aanknopen, die in alle “staatsgeheimen” weten binnen te dringen (waarin de Russische ambtenaar zo gewichtig doet en waarover hij zo gemakkelijk aan het praten geraakt), die achter alle “coulissen” weten te kijken, een leger van mensen, die “uit hoofde van hun betrekking” verplicht zijn, overal te zijn en alles te weten. En wij, de partij van de strijd tegen elke economische, politieke, sociale, nationale onderdrukking kunnen en moeten zulk een leger van alleswetende mensen bijeenbrengen, opleiden, mobiliseren en in beweging zetten, — maar dit moet immers nog worden gedaan! En bij ons is in de geweldige meerderheid van de plaatsen niet alleen nog geen stap in deze richting gedaan, maar er bestaat zelfs over het algemeen ook niet het bewustzijn van de noodzakelijkheid dit te doen. Zoek maar in onze sociaaldemocratische pers levendige en interessante artikelen, correspondenties en onthullingen over onze diplomatieke, militaire, kerkelijke, stedelijke, financiële, enz., enz., aangelegenheden en zaakjes: gij zult bijna niets of zeer weinig vinden [24]. Ziehier “waarom ik mij altijd verschrikkelijk erger, wanneer iemand zeer schone en heerlijke dingen komt vertellen” over de noodzakelijkheid om “in ieder enigszins belangrijk arbeiderscentrum” een krant uit te geven, die de wantoestanden zowel in de fabriek, als in de stad en de staat onthult!

Het overwicht van de plaatselijke op de centrale pers is een teken f van armoede f van weelde. Van armoede wanneer de beweging nog niet voldoende krachten voor een grootbedrijf heeft opgeleverd, wanneer zij zich nog in het handwerkersgedoe bevindt en in de “kleinigheden van het fabrieksleven” bijna verdrinkt. Van weelde — wanneer de beweging de taak van de alzijdige’ onthullingen en de alzijdige agitatie, reeds volkomen onder de knie heeft, zodat naast het centraal orgaan talrijke plaatselijke kranten nodig worden. Laat iedereen het maar met zichzelf uitmaken, waarvan het overwicht van de plaatselijke bladen bij ons op het huidige ogenblik getuigt. Ik wil mij echter tot de nauwkeurige formulering van mijn gevolgtrekkingen beperken, om geen aanleiding tot misverstand te geven. Tot nu toe denkt bij ons de meerderheid van de plaatselijke organisaties bijna uitsluitend aan plaatselijke kranten en wijdt bijna uitsluitend daaraan haar activiteit. Dat is niet normaal. Het moest omgekeerd zijn: de meerderheid van de plaatselijke organisaties moest in hoofdzaak aan een algemeen-Russische orgaan denken en in hoofdzaak daarvoor werken. Zolang dit niet geschiedt, zullen wij geen enkele krant kunnen uitgeven, die enigszins in staat zou zijn, de beweging werkelijk met een alzijdige agitatie in de pers te dienen. En wanneer dit geschiedt, — dan zal een normale verhouding tussen het noodzakelijke centraal orgaan en de noodzakelijke plaatselijke organen van zelf tot stand komen.

Op het eerste gezicht kan het de schijn hebben, dat de redenering, volgens welke het noodzakelijk zou zijn, het zwaartepunt van het plaatselijke naar het algemeen-Russische werk te verleggen, niet op de speciaal-economische strijd toepasselijk is: de rechtstreekse vijanden van de arbeiders zijn hier de afzonderlijke ondernemers of groepen van ondernemers, die niet in een organisatie zijn samengevat, die ook maar bij benadering herinnert aan de zuiver militaire, streng gecentraliseerde, tot in alle onderdelen door één wil geleide organisatie van de Russische regering, onze rechtstreekse vijand in de politieke strijd.

Maar dit is niet zo. De economische strijd — wij hebben er reeds dikwijls op gewezen, — is een vakstrijd en daarom eist hij de vereniging van de arbeiders naar beroepen en niet alleen naar de plaats van hun arbeid. En deze vereniging naar beroepen wordt des te dringender noodzakelijk, hoe sneller de vereniging van onze ondernemers tot allerlei maatschappijen en syndicaten voorwaarts schrijdt. Onze verbrokkeling en ons handwerkersgedoe belemmeren rechtstreeks deze vereniging, waarvoor één aaneengesloten Al-Russische organisatie van revolutionairen nodig is, in staat om de leiding van de Al-Russische vakbonden van de arbeiders op zich te nemen. Wij hebben hierboven reeds over het voor dit doel gewenste organisatietype gesproken en thans willen wij er alleen enkele woorden aan toevoegen, in verband met het vraagstuk van onze pers.

Dat in iedere sociaaldemocratische krant een rubriek voor de vak- (de economische) strijd moet voorkomen, — dat zal wel door niemand in twijfel worden getrokken. Maar de groei van de vakbeweging dwingt ons ook aan een vakpers te denken. Het schijnt ons evenwel toe, dat er in Rusland voorlopig, met geringe uitzonderingen, nog geen sprake kan zijn van een vakpers: dat is luxe en wij hebben bijna overal nog gebrek aan dagelijks brood. De vorm van vakpers, die aan de verhoudingen van de illegale arbeid beantwoordt en die reeds nu noodzakelijk is, zouden bij ons vakbrochures moeten zijn. Daarin zou men het legale[25] en illegale materiaal over de arbeidsvoorwaarden in het betreffende bedrijf, over het verschil in dit opzicht tussen de verschillende plaatsen in Rusland, over de voornaamste eisen van de arbeiders in het betreffende vak, over de gebreken van de daarop betrekking hebbende wetgeving, over de bijzonder in het oog springende gevallen van de economische strijd van de arbeiders in deze werkplaats, over de kiemen, de huidige stand en de behoeften van hun vakorganisaties, enz., moeten bijeen brengen en systematisch groeperen. Zulke brochures zouden in de eerste plaats onze sociaaldemocratische pers bevrijden van de massa van vakbijzonderheden, die alleen de arbeiders van een gegeven plaats interesseren; ten tweede zouden zij de resultaten van onze ervaring in de vakverenigingsstrijd vastleggen, zij zouden het bijeengebrachte materiaal, dat nu letterlijk in een menigte van vlugschriften en fragmentarische correspondenties teloor gaat, bewaren en dit materiaal veralgemenen; zij zouden in de derde plaats als een soort leidraad voor agitatoren kunnen dienen, want de arbeidsvoorwaarden veranderen betrekkelijk langzaam, de fundamentele eisen van de arbeiders van een bepaalde bedrijfstak zijn buitengewoon stabiel (men vergelijke de eisen van de wevers van het Moskouse district in het jaar 1885 en van het Petersburgse district in het jaar 1896), en de samenvatting van deze eisen en noden zou voor lange jaren als een uitstekend leerboek voor de economische agitatie in achterlijke districten of onder achterlijke lagen van arbeiders kunnen dienen; de voorbeelden van succesvolle stakingen in één gebied, gegevens over de hogere levensstandaard, over betere arbeidsvoorwaarden, op één plaats, zouden ook de arbeiders op andere plaatsen tot nieuwe en steeds nieuwe strijd aanvuren; in de vierde plaats zou de sociaaldemocratie, indien zij het initiatief voor het veralgemenen van de vakstrijd op zich zou nemen en op deze wijze het verband van de Russische vakbeweging met het socialisme versterken, er tegelijk voor zorgen, dat ons vakverenigingswerk nòch een te klein, nòch een te groot gedeelte van het algemeen totaal van ons sociaaldemocratische werk in beslag nam. Het is voor de plaatselijke organisatie, wanneer zij los staat van de organisatie in andere steden, zeer moeilijk, soms zelfs bijna onmogelijk, in deze een juiste verhouding in acht te nemen (en het voorbeeld van de “Rabotsjaja Mysl” toont, tot welk een monsterachtige overdrijving in de lichting van het trade-unionisme men daarbij kan komen). Maar een Al-Russische organisatie van de revolutionairen, die streng op het standpunt van het marxisme staat, die de gehele politieke strijd leidt en over een staf van beroepsagitatoren beschikt, zal in het bepalen van deze juiste verhouding nooit moeilijkheden hebben.

_______________
[1] Voorwerp dat bij een misdaad gebruikt is en als bewijs dient van schuld — Noot van de redactie
[2] Het cursieve is overal van ons. — Noot van Lenin
[3] De groep "Strijd van de arbeid tegen het kapitaal” bestond in het geheel ongeveer twee maanden. Zij werd door de geheime politie geliquideerd, zonder dat het haar gelukt was haar werkzaamheid te beginnen. — Noot van de redactie
[4] “Rabotsjaja Mysl” en “Rabotsjeje Djelo”, — in het bijzonder het “Antwoord” aan Plechanov. (34) — Noot van de redactie
[5] De brochure “Wie zal de politieke revolutie volbrengen?” in de in Rusland uitgegeven opstellenbundel “Proletarskaja Borba” (De proletarische strijd. — Red.). De brochure werd door het Comité” te Kiev opnieuw uitgegeven. — Noot van de redactie
[6] “De wedergeboorte van het revolutionisme” en “Swoboda”. — Noot van de redactie
[7] Deze uitdrukking vindt men bij Plechanov in “Voorwoord tot het “Vademecum” voor de redactie van de “Rabotsjeje. Djelo”. Plechanov’s “Verzamelde Werken”, Deel XII, blz. 17. — Noot van de redactie
[8] S. Prokopovitsj — Noot van de redactie
[9] De schrijver van deze brochure is A.A. Sanin — Noot van de redactie
[10] Vier-zes maanden was ongeveer de duur van het werk der “handwerkers”-revolutionairen, die niet met de partijorganisatie en de conspiratie waren verbonden. — Noot van de redactie
[11] “Los”, bij Lenin in het Duits vermeld. Met “lose Organisation” — (een Duitse uitdrukking, die losse organisatie betekent) wordt een organisatie bedoeld, waartoe men betrekkelijk vrij kan toetreden, die zelf weinig vaste vorm heeft, bv. geen vast program en die in plaats van statuten zich tot enkele toetredingsformaliteiten bepaalt. — Noot van de redactie
[12] Afanasi Ivanovitsj en Pulcheria Ivanovna, — een door Gogol geschilderd echtpaar, dat zijn leven tussen bloempotten en kookpotten doorbrengt. — Noot van de redactie
[13] Verlegenheid uit overvloed. — Noot van de redactie
[14] Hier zij slechts opgemerkt, dat alles, wat wij hier over de “stoot van buiten af” en over alle verdere redeneringen van de “Swoboda” ten aanzien van de organisatie hebben gezegd, ook ten voile van toepassing is op al de economisten, de “Rabotsjeje Djelo” daarbij) inbegrepen, want ten dele predikten en verdedigden zij actief dezelfde opvattingen over organisatiekwesties, ten dele stonden zij dicht bij zulke opvattingen. — Noot van Lenin
[15] Deze term is misschien juister ten opzichte van de “Svoboda” dan de vooraf gaande, want in de “Wedergeboorte van het revolutionisme” wordt het terrorisme verdedigd en in het onderhavige artikel het economisme. De geest is gewillig, maar het vlees is zwak! — zou men van de “Svoboda” in het algemeen kunnen zeggen. De beste plannen en de prachtigste voornemens — en een warwinkel als resultaat; een warwinkel, hoofdzakelijk, omdat de “Svoboda” bij haar verdediging van de continuïteit van de organisatie niets wil weten van de continuïteit van het revolutionaire denken en de sociaaldemocratische theorie. Er naar streven de beroepsrevolutionair wederom in het leven te roepen (“Wedergeboorte van het revolutionisme”) en daartoe ten eerste de exciterende terreur en ten tweede de “organisatie van doorsneearbeiders” (“Swoboda”, Nr. 1 blz. 66 e.v.) voor te stellen, “die zo min mogelijk van buitenaf worden aangedreven”, — dat betekent werkelijk voor de verwarming van zijn huis het hout gebruiken, waarvan dit huis zelf is gebouwd. Noot van Lenin
[16] De aan de beroemde Griekse mathematicus Archimedes toegeschreven uitspraak; “geef mij een steunpunt en ik beweeg de aarde”. — Noot van de redactie
[17] In militaire kringen bv. is in de jongste tijd ongetwijfeld een opleving van de democratische geest op te merken, gedeeltelijk ten gevolge van de zich ophopende gevallen van straatgevechten tegen zulke “vijanden” als arbeiders en studenten. En zodra de voorhanden krachten het veroorloven, moeten wij onvoorwaardelijk zeer grote aandacht schenken aan de propaganda en de agitatie onder de soldaten en officieren, aan het stichten van “militaire organisaties”, die bij onze partij zijn aangesloten. — Noot van Lenin
[18] Ik herinner mij, hoe een kameraad mij vertelde, dat een fabrieksinspecteur, die de sociaaldemocratie wilde helpen en dit ook werkelijk deed, zich er bitter over beklaagde, dat hij niet wist, of zijn “inlichtingen” het revolutionaire centrum werkelijk bereikten, in hoever zijn hulp nodig was en in welke mate de mogelijkheid bestond van zijn kleine diensten gebruik te maken. Iedere practicus kent natuurlijk meer van zulke gevallen, waarin wij tengevolge van ons handwerkersgedoe bondgenoten hebben verloren. Zulke, elk op zich zelf “kleine”, maar alle bijeengenomen onschatbare diensten konden en zouden ons de kantoorbedienden en beambten niet slechts van de fabrieken, maar ook van de post, de spoorwegen, de douane, de instellingen voor de adel, de geestelijkheid en ieder ander regeringskantoor bewijzen, zelfs de politiebeambten en personen uit hofkringen daarbij inbegrepen! Wanneer wij reeds een werkelijke partij, een werkelijke strijdorganisatie van revolutionairen bezaten, dan zouden wij al dergelijke “helpers” niet voor de uiterste consequentie stellen, dan zouden wij ons niet haasten, hen steeds en onvoorwaardelijk in het binnenste der “illegaliteit” te betrekken, maar integendeel bijzonder op hen passen en zelfs speciaal mensen voor zulke functies opleiden, bedenkende dat vele studenten als “helpers” in ambtelijke posities voor de party veel nuttiger zouden kunnen zijn dan als revolutionairen “op korte termijn”. Maar, — ik herhaal het nog eens — slechts een reeds volkomen stevig gebouwde organisatie, die niet aan gebrek aan actieve krachten heeft te lijden, is gerechtigd tot het toepassen van deze tactiek. — Noot van Lenin
[19] De “Swoboda”, Nr. 1, artikel “Organisatie”, blz. 66: “Met zware tred voorwaarts schrijdend, zal de arbeidersmassa alle eisen sterk maken, die in naam van de Russische Arbeid worden gesteld” — “Arbeid” — onvoorwaardelijk met een hoofdletter! En diezelfde schrijver roept uit: “Ik sta absoluut niet vijandig tegen over de intellectuelen, maar” ... (dit is hetzelfde maar dat Ssjedrin vertaalt met de woorden: de oren kunnen niet boven het voorhoofd uitgroeien) ... “maar het ergert mij altijd verschrikkelijk, wanneer iemand een massa schone en prachtige dingen komt vertellen en eist, dat zij om hun (zijn?) schoonheid en andere goede eigenschappen zullen worden aanvaard” (blz. 62). — Ja, ook mij “ergert dit altijd verschrikkelijk” — Noot van Lenin
[20] “De taak van de Russische sociaaldemocraten” blz. 23. (Deel I van de Verzamelde Werken van Lenin. — Red.). Hier volgt overigens nog een illustratie van het feit, dat de “Rabotsjeje Djelo” of niet begrijpt, wat zij zegt, of haar opvattingen verandert “al naar gelang uit welke hoek de wind waait”. In Nr. 1 van de “Rabotsjeje Djelo” leest men, vet gedrukt: De uiteengezette Inhoud van de brochure komt met het redactieprogramma van de “Rabotsjeje Djelo” volkomen overeen (blz. 142). Werkelijk? Met “De taak” komt de opvatting overeen, dat men aan de massabeweging het ten val brengen van het absolutisme niet als eerste taak kan stellen? Komt de theorie van “de economische strijd tegen de ondernemers en de regering” daarmee overeen? Komt de stadiatheorie daarmee overeen? Wij laten het aan de lezer over, te beoordelen, of bij een orgaan, dat het begrip “overeenstemmen” z origineel opvat, van beginseltrouw kan worden gesproken. Noot van Lenin
[21] Areopagus = Hoogste gerechtshof in het oude Athene; figuurlijk gebruikt: vergadering, college van geleerden, van wijze mannen. — Noot van de redactie
[22] Zie het “Verslag van het Congres te Parijs” (blz. 14) — “Sedert die tijd (1897) tot aan de lente van 1900 zijn in de verschillende plaatsen dertig nummers van verschillende kranten verschenen. Gemiddeld verscheen meer dan één nummer per maand”. In opdracht van de Bond van Russische sociaaldemocraten stelde de redactie van de “Rabotsjeje Djelo” een verslag van de toestand van de sociaaldemocratische beweging in Rusland samen, dat zij bij het Congres van de Ilde Internationale indiende. Het verslag (waaraan een verslag van de Boend over de geschiedenis van de Joodse arbeidersbeweging was toegevoegd) verscheen als afzonderlijke brochure onder de titel: “Verslag van de Russische sociaaldemocratische beweging aan het Internationale socialistische Congres gehouden in Parijs in het jaar 1900” (Genève 1901). — Noot van de redactie
[23] Deze moeilijkheid is slechts schijnbaar. In werkelijkheid bestaat er geen enkele plaatselijke kring, die niet de mogelijkheid zou bezitten om de een of andere functie van het algemeen-Russische werk actief ten uitvoer te brengen. “Zeg niet: ik kan niet, maar zeg: ik wil niet”. — Noot van Lenin
[24] Uit dien hoofde wordt ons standpunt zelfs door het voorbeeld van buitengewoon goede plaatselijke organen volkomen bevestigd. Zo is bv. de “Joezjni Rabotsji” een uitstekende krant, waaraan men geen gebrek aan beginselvastheid kan verwijten. Maar hetgeen zij aan de plaatselijke beweging wilde geven, werd tengevolge van het feit, dat ze maar zelden uitkwam en dikwijls overvallen werd, niet bereikt. Hetgeen op dit ogenblik voor de partij het meest dringende is, — de principiële bespreking van de fundamentele vraagstukken van de beweging en de alzijdige politieke agitatie, bleek de kracht van de plaatselijke krant teboven te gaan. En wat er bijzonder goed in was, bv. de artikelen over het congres van de mijneigenaars, over de werkeloosheid enz., was geen zuiver plaatselijk materiaal, maar het interesseerde geheel Rusland en niet alleen het Zuiden. Zulke artikelen hebben wij in onze gehele sociaaldemocratische pers niet gehad. — Noot van Lenin
[25] Het legale materiaal is bijzonder belangrijk en wij zijn bijzonder achterlijk in de kunst het systematisch bijeen te brengen en er gebruik van te maken. Het zal niet overdreven zijn te zeggen, dat men aan de hand van legaal materiaal alleen nog op de een of andere wijze een vakbrochure kan schrijven, maar dat dit uitsluitend aan de hand van illegaal materiaal niet mogelijk is. Door bij de arbeiders illegaal materiaal over vraagstukken van de soort, die bv. de “Rabotsjaja Mysl” publiceerde, te verzamelen, besteden wij tevergeefs zeer veel kracht van de revolutionair (die in dit geval gemakkelijk door een legaal werkend persoon vervangen zou kunnen worden) en toch krijgen wij nooit goed materiaal, want de arbeiders die doorgaans slechts één afdeling van een grote fabriek en bijna altijd de economische resultaten, maar niet de algemene voorwaarden en normen van hun werk kennen, verkeren ook niet in de mogelijkheid zulke kennis op te doen, die fabriekskantoorbedienden, inspecteurs, artsen enz. bezitten en die in kleine krantencorrespondenties en in speciale industrie-, gezondheids-, Zemstvo- en andere uitgaven in massa zijn verstrooid. Ik herinner mij nog als vandaag mijn “eerste ervaring”, die ik nooit zal herhalen. Vele weken lang hield ik me bezig om een arbeider, die mij dikwijls bezocht, ijverig uit te vragen over alle mogelijke regelingen in de fabriek, waar hij werkte. Het is mij weliswaar, zij het dan ook met geweldige moeite, gelukt éen soort beschrijving (slechts van deze ene fabriek!) samen te stellen, maar met het gevolg, dat de arbeider aan het slot, terwijl hij zich het zweet van het voorhoofd wiste mij glimlachend zei: “ik vind het gemakkelijker overuren te maken dan uw vragen te beantwoorden!” Met hoe meer energie wij de revolutionaire strijd zullen voeren, des te meer zal de regering gedwongen zijn, een deel van het “vakverenigings”-werk te legaliseren, waardoor zij ons een gedeelte van onze last zal afnemen. – Noot van Lenin